woensdag 30 december 2009

Volwaardige burgers in een multimediale maatschappij

Hierbij dan de volledige tekst van het opiniestuk dat op 25 december in NRC Handelsblad is verschenen. De bovenstaande, oorspronkelijke titel heeft de NRC-redacteur daarbij vervangen door het meer prozaïsche maar wellicht ook informatievere "Dankzij de brailleleesregel op de computer kon ik naar een gewone school, studeren – en straks promoveren". Hoe het ook zij, de integrale tekst van het stuk vind je hier.

Moderne communicatie- en informatietechnologie fungeert geregeld als zondebok voor allerlei maatschappelijke kwalen. Ze zou asociaal gedrag in de hand werken zoals urenlang bellen of hardop muziek luisteren in het openbaar vervoer; of doordat we almaar meer tijd aan ons Facebookprofiel besteden zouden we onze real life-contacten verwaarlozen. Toch hebben diezelfde nieuwe media ook erg veel mogelijk gemaakt, en dat beseffen jonge mensen met een ernstige visuele beperking als ikzelf maar al te goed. Zij helpen het zintuig dat wij missen voor een groot stuk te compenseren, waardoor onze kansen op een volwaardig bestaan in vergelijking met vorige generaties aanzienlijk zijn toegenomen.

Dit geldt eerst en vooral voor het onderwijs. Sinds eind jaren tachtig komen blinde en slechtziende kinderen sneller in een gewone school terecht, daar de computer de dagelijkse interactie tussen docent en leerling sterk heeft vereenvoudigd. In mijn geval betekende dit dat ik kon lezen wat ik typte via een brailleleesregel, een op de pc aangesloten toestelletje waarop de tekst in braille verschijnt, terwijl de leraar ondertussen mee kon kijken op het scherm. In andere gevallen gebeurt de aanpassing van de computer door middel van spraak- of vergrotingssoftware. Maar het principe blijft dat een visueel gehandicapt kind zich hierdoor zonder al te grote moeilijkheden in een normale klasomgeving kan ontwikkelen, en dat is een hele verademing vergeleken met de traditionele 'blindeninstituten'. Althans, zo heb ik het ervaren toen ik de overstap naar het reguliere gymnasium mocht maken en het beschermde milieu van de bijzondere basisschool eindelijk achter me kon laten.

Ook op de arbeidsmarkt oogt de situatie veel gunstiger dan voorheen, doordat steeds meer visueel gehandicapte jongeren met een diploma uit het hoger onderwijs op zak aan de start komen. Deze stijging van het gemiddelde opleidingsniveau hangt ten nauwste samen met de verbeterde informatievoorziening voor onze doelgroep en dan met name de toegang tot internet die de voornoemde hulpmiddelen ons verschaffen. Wat vroeger slechts bij mondjesmaat ingelezen of in braille aangeboden kon worden, ligt nu in één klap voor studenten en professionals ontsloten: kranten, databanken, catalogi, woordenboeken, etcetera. Inmiddels doe ik als promovendus literatuuronderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, zodat ik nog elke dag geniet van het rondstruinen in schatkamers als de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org). Boeken of artikelen die niet digitaal of in audiovorm beschikbaar zijn kan ik overigens ook scannen en zo alsnog lezen.

Daarnaast biedt het internet tevens soelaas wat betreft reisinformatie, ook niet onbelangrijk in deze tijden van ongekende mobiliteit (nou ja, zolang het niet sneeuwt tenminste). Niet alleen zijn uurroosters en reisschema's op websites veel makkelijker raadpleegbaar dan op borden in stationshallen of luchthavens, ook toepassingen als Google Maps en Street View stellen slechtzienden in staat routes op onbekend terrein uit te stippelen. Blinden kunnen dan weer gebruik maken van lovenswaardige initiatieven als www.mobicam.nl/looproutes waarop de Nederlandse stations stap voor stap worden beschreven, zodat men er zich veel vlotter kan oriënteren. Toen ik onlangs op die manier een congres in het Centraal Museum in Utrecht bezocht, waar ik nooit eerder was geweest, ondervond ik nog maar eens hoezeer je zelfstandigheid erdoor vergroot. Ik neem er de langere voorbereidingstijd die zo'n uitje vergt er dan ook graag bij.

Bijgevolg mag de gapende informatiekloof tussen goed- en slechtziende mensen van enkele decennia geleden grotendeels gedicht heten. Maar laten we wel wezen, dit is niet louter te danken aan de nieuwe media. Ook de overheden in Nederland en België, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, hebben hiertoe serieuze inspanningen geleverd. Mocht een brailleleesregel bijvoorbeeld niet van staatswege vergoed worden, zouden veel blinden het zoals in de VS moeten doen met enkel de veel goedkopere spraaksoftware. Nog een bewijs van dit handicapvriendelijke beleid is het systematisch toegankelijk maken van openbare ruimtes door geleidelijnen (ribellijnen in de ondergrond) aan te leggen en rateltikkers bij verkeerslichten te installeren. Maar misschien wel nog belangrijker, een dergelijke maatschappij waarin een fysieke beperking niet per se een belemmering hoeft te vormen, creëer je toch alleen door de actieve participatie van zo veel mogelijk betrokkenen: docenten, ambtenaren, werkgevers, (hulpvaardige) mensen op straat, de gehandicapte personen zelf en hun belangengroepen, enzovoorts.

Kortom, ik prijs me gelukkig dat ik na 1980 geboren ben. Natuurlijk kan het altijd nog beter en kun je erover klagen dat sommige informatiebronnen, zoals pinautomaten, of bepaalde publieke gebouwen nauwelijks toegankelijk zijn. En natuurlijk valt het te betreuren dat men vooral in de privésector nog te vaak koudwatervrees toont wanneer een blinde of slechtziende op een vacature reageert. En ja, vooralsnog zijn het met name hogeropgeleiden die aan de bak komen. Desondanks ben ik hoopvol gestemd. Zolang we de huidige sociale koers met respect voor lichamelijke diversiteit niet verlaten, zullen de kinderen die thans met een visuele beperking opgroeien, meer nog dan onze generatie, de vruchten plukken van de digitale revolutie.

Labels: , ,

zondag 25 oktober 2009

De heroïek van de daad

De Canadese historicus Modris Eksteins besteedt in zijn studie Lenteriten. De Eerste Wereldoorlog en het ontstaan van de nieuwe tijd (Manteau/Anthos, 2003) een uitgebreid hoofdstuk aan Charles Lindberghs sensationele vlucht van New York naar Parijs in mei 1927. In feite was Lindbergh niet de eerste die de Grote Plas overvloog, maar wel de eerste die op deze manier de twee metropolen verbond en het bovendien in z'n eentje en zonder radioapparatuur aan boord had weten te klaren. Op Le Bourget waar Lindbergh in het holst van de nacht landde, werd hij opgewacht door een dolzinnige menigte die het vliegtuigje, eenmaal aan de grond, ogenblikkelijk bestormde om de held toch maar eventjes aan te kunnen raken en met zakmessen stukjes van de vleugels los te snijden als souvenir. Had de gendarmerie niet gewapenderhand ingegrepen, er was wellicht niet zoveel van het toestel en de vliegenier overgebleven...

De vlieggekte was lang niet nieuw. Daarvoor zijn genoeg bewijzen in de literatuur te vinden. Door middel van talloze ooggetuigenverslagen heeft John Berger bijvoorbeeld in zijn roman G. (Weidenfeld & Nicolson, 1972) de poging verbeeld van de Peruaanse piloot Geo Chávez om op 23 september 1910 als eerste de Alpen over te steken. De belangstelling van pers en publiek waren, zowel aan Franse als aan Italiaanse zijde, ongekend. Geestdriftig bracht ook Franz Kafka in 1909 verslag uit van zijn bezoek aan het aerodroom in de Italiaanse plaats Brescia:

"Maar nu komt de machine, waarmee Blériot het Kanaal is overgevlogen; niemand zegt het, iedereen weet het. Een lange pauze, en Blériot zit in de lucht, men kan boven de vleugels zijn rechte bovenlichaam zien, zijn benen liggen in een diepte waar ze één geworden zijn met de machinerie. De zon is lager gaan staan en onder het baldakijn van de tribunes door schijnt zij op de zwevende vleugels. Vol overgave blikken allen naar hem op, in geen enkel hart is voor iemand anders plaats. Hij vliegt een klein rondje en komt dan tot bijna loodrecht boven onze hoofden terug. En iedereen ziet met verwrongen hals, hoe de eendekker schommelt, wankelt, maar dat Blériot het houdt en zelfs stijgt. Wat gebeurt hier? Hier boven ons, twintig meter boven de aarde, zit een man in een houten kist gevangen en verweert zich tegen een onzichtbaar gevaar, dat hij vrijwillig op zich genomen heeft. Maar wij staan er hier beneden wat wezenloos bij, kijken naar deze man en deinzen achteruit."
Zoals Eksteins terecht over Lindbergh zegt belichaamden deze pioniers van het luchtruim het moderne heldendom. Anders dan de klassieke heroën die streden omwille van de faam en de eer van het geslacht of het volk, ging het deze waaghalzen veeleer om het stellen van de daad zelf: het breken van een record, het nog verder, hoger en sneller vliegen dan de voorgangers. Terwijl de eerstgenoemden gedwongen door het noodlot voor het collectief wilden sterven, handelden de laatsten uit (relatief) vrije keus en op louter individualistische gronden. Sterker nog, Blériot, Chávez en Lindbergh werden vereerd precies omdat ze zich bevrijd schenen te hebben van iedere morele en affectieve binding - niet alleen met familie en gezin maar bovenal met hun eigen hachje - en nog slechts die ene tour de force wilden volbrengen die met een klap alles wat vóór hen kwam zou wegvagen. Hun daden dienden allerminst om verleden en traditie te bestendigen, maar om deze integendeel te vernietigen en keer op keer weer 'dé eerste' te zijn.

Labels:

woensdag 14 oktober 2009

Flaneren op een ezel

Platero y yo (Platero en ik, Uitgeverij IJzer, 2005) verscheen voor het eerst volledig in 1917. Het is waarschijnlijk wereldwijd het bekendste en meest vertaalde boek van de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez (1881-1958). Dat het vaak onterecht tot de jeugdliteratuur is gerekend, zal wel gedeeltelijk te wijten zijn aan het zeer eenvoudige taalgebruik van de 135 korte hoofdstukjes of prozagedichten, maar dat is toch niet de voornaamste reden. Deze onopgesmukte stijl moet vooral het onschuldig aandoende verhaal beter tot zijn recht laten komen: de soms ontroerende, soms lachwekkende lotgevallen van een zonderlinge dichter met zijn ezeltje Platero. Samen beleven ze allerlei avonturen in en om het Andalusische plaatsje Moguer, waar Juan Ramón ook zelf werd geboren.

Het mag merkwaardig schijnen dat in een tijd waarin menig auteur de mond vol had over de moderne technologie en het snelle leven – denken we maar aan Filippo Tommaso Marinetti, Blaise Cendrars of onze eigen Cyriel Buysse -, Jiménez kiest voor een dergelijk primitief vervoermiddel en landelijke setting. Inderdaad, het sterkt alleen maar het vermoeden dat het allemaal minder argeloos is opgezet dan het oogt. Platero staat immers symbool voor de natuurlijke idylle waar de melancholische Jiménez naar terug verlangde, in een vroegtwintigste-eeuws Spanje dat verscheurd werd tussen het nog feodaal geregeerde platteland en de snel groeiende steden. In Diario de un enfermo (Dagboek van een zieke, 1901) klaagde Jiménez' generatiegenoot José Martínez Ruiz, die later beter bekend zou worden onder het pseudoniem Azorín, bijvoorbeeld:

"Er is nog een vreselijker soort barbarij dan die uit het verleden: de moderne industrialisatie, het winstbejag, de collectieve uitbuiting bij de spoorwegen en in het bankwezen, de onverschillige contacten, op straat, in de kroeg, het theater, of op de alles overheersende markt."
Platero, dus liefkozend 'Zilvertje' genaamd, moet zijn berijder beschermen tegen deze bedreigende veranderingen. Niettemin, ook al gaat het een stukje trager dan met een automobiel of in de sneltrein, ook in deze zwervende romanticus herkennen we wel degelijk de voor deze jaren zo kenmerkende nervositeit. Geregeld doet zijn fragmentarische, beeldende verteltrant dan ook denken aan Le spleen de Paris, en krijgt de ik-figuur op die manier tegen wil en dank iets van de flaneur Charles Baudelaire.

Labels: , , ,

zondag 11 oktober 2009

Stemmen van over het graf

Goethes huis in WeimarDe voorzitster van het Nederlands spiritistisch genootschap sprak enkele weken geleden op Radio 1 over een opnametoestel dat spoedig op de markt zal komen, waarmee je signalen van de eventueel aanwezige geesten in je huis kan opvangen. Door de gewone dagelijkse geluiden op te nemen en nadien in omgekeerde volgorde weer af te spelen zou je volgens deze dame stemmen uit het Jenzeits kunnen horen, en soms zelfs hele zinnen verstaan.

Media, niet zozeer in de zin van massacommunicatiemiddel maar in die van registratie-, transmissie- en opslagtechnologie, lijken wel vaker iets met de dood te maken te hebben. Oppervlakkig beschouwd treedt dit verband reeds aan het licht in de vindingrijkheid van mensen om door middel van media het gevaar te verkleinen levend begraven te worden. Zo vertelde Charlotte Mutsaers in meerdere recente interviews hoe ze ooit op een advertentie van een Duits bedrijf is gestuit waarin een mobiele telefoon werd aangeprezen speciaal ontworpen om aan overledenen mee te geven in hun kist. Deze 'engelentelefoon' zou uiteindelijk ook in haar roman Koetsier herfst (De Bezige Bij, 2008) belanden. Deze voorzorgsmaatregel is evenwel lang niet nieuw, want reeds in de kindertijd van de telefonie fantaseerde Leopold Bloom hierover. Staande aan de kuil waarin Paddy Dignam zopas naar men aanneemt voorgoed is verdwenen, in de Hades-episode van Ulysses (1922), mijmert hij over de mogelijkheid dat de arme kerel wel eens schijndood zou kunnen zijn:

"Whew! By jingo, that would be awful! No, no: he is dead, of course. Of course he is dead. Monday he died. They ought to have some law to pierce the heart and make sure or an electric clock or a telephone in the coffin and some kind of a canvas airhole."
Maar zoals de anekdote over de spiritisten bewijst gaat het nog veel verder dan eventjes bellen met de 'overkant'. Toen negentiende-eeuwse fysiologen ontdekten hoe het menselijke oor geluid waarneemt, in feite dus de trillingen waaruit het bestaat, leidde dit niet enkel tot de uitvinding van Edisons fonograaf (de voorloper van Berliners grammofoon) en Bells telefoon. Ook de verbeelding werd er erg door geprikkeld, omdat het nu mogelijk scheen de vibraties van stemmen uit het verleden te recupereren die, zo werd beweerd, nooit volledig weggeëbd konden zijn.

In een kortverhaal van Salomo Friedlaender uit 1916 vat een geleerde zodoende het plan op de stem van Goethe te reconstrueren. Deze professor slaagt er inderdaad in het 'sonore orgaan' van de meester opnieuw te laten weerklinken in diens studeerkamer in Weimar; tot grote ontsteltenis van de toehoorders die ervan overtuigd zijn dat ze naar de geluidsgolven luisteren die daar nog steeds in de lucht zinderen. Wat deze lieden echter niet weten is dat de professor Goethes tombe op een nacht opengebroken en de nodige metingen aan diens strottenhoofd heeft verricht, zodat hij op basis daarvan het timbre en de sterkte van zijn stentor kon berekenen, nabootsen en het resultaat op een fonograaf vastleggen. Wat in het werkvertrek in Weimar na honderd jaar opnieuw het woord richt tot zijn vriend Eckermann, is dus niet de geest van Goethe maar het vele levensechte spook dat in de moderne machine huist.

Labels: , ,

donderdag 16 juli 2009

Toen de toerist nog een reiziger was

Cyriel Buysse, Reizen van toen: met de automobiel door Frankrijk (Antwerpen-Amsterdam: Manteau, 1992).

Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt. Recreatief reizen wordt slechts dan mogelijk wanneer je in ruime mate over vrije tijd beschikt, na in je basisbehoeften te hebben voorzien nog een aardige duit te besteden hebt en de infrastructuur, zowel de accommodatie als de transportmiddelen, het ook nog toelaat. Aan deze voorwaarden werd voor grote delen van de bevolking in het westen en Japan feitelijk pas voldaan met de komst van de welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog, het almaar toenemende autobezit, de verdere commercialisering van het treinverkeer en later de luchtvaart, de expansie van de toeristische sector (horeca, reisbureaus, VVV etc.). Lees verder.

Daarnaast hebben de democratisering van onderwijs en media onrechtstreeks bijgedragen aan de verhoogde reislust, doordat iedereen tot aan de laagste sociale klassen toe plots in contact kon komen met vreemde landen, talen en culturen. Eind jaren twintig merkte de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset in De opstand der horden reeds op dat het moderne, geïnformeerde individu hierdoor in de voortdurende aanwezigheid leeft van ruimtelijk ver verwijderde streken en lang vervlogen tijden. "Nauwelijks een jaar geleden," vertelt Ortega y Gasset, "volgden de inwoners van Sevilla, in de populaire kranten, uur voor uur de belevenissen van een groepje poolreizigers, wat betekent
dat er op de hete bodem van de Andalusische vlakte kruiende ijsschotsen dreven."

Dit is nog steeds een treffend beeld voor de zich kosmopoliet wanende mens van vandaag, imaginair vertrouwd met de hele planeet. Het belangrijkste verschil met Ortega y Gassets doorsnee burger bestaat echter hierin dat deze zich nog noodgedwongen moest beperken tot zijn verbeeldingskracht, terwijl wij er meermaals per jaar op uit kunnen trekken om de in tv-beelden, vakantiebrochures en websites voorgetoverde wereld ook aan den lijve te ondervinden.

Degenen die zich dit aan het begin van de twintigste eeuw al wel konden veroorloven behoorden tot de aristocratie of de gegoede burgerij. Dat geldt ook zeker voor Cyriel Buysse die als zoon van een bemiddeld cichoreifabrikant danig in de slappe was zat, zodat hij zich zijn leven lang ongestoord behalve aan de literatuur ook aan reizen kon wijden. Buysse was een fervent 'automobilist', een feit waarvan de bijzondere vermelding paste in een tijd dat autorijden nog als een kunst of volwaardig beroep werd bejegend. Chaufferen diende in de gepaste outfit te gebeuren, met handschoenen en stofbril, zoals Pad die karikaturaal genoeg ook draagt in Kenneth Grahames sprookje The wind in the willows, zodra hij er in zijn megalomanie van droomt zelf achter het stuur te kruipen.

In deze bundel, die reportages bevat over meerdere reizen die Buysse tussen 1911 en 1932 door Frankrijk maakte, zien we de auteur zelf of diens goede vriend Maurice Maeterlinck, met wie hij vaak de voorbank deelde, dan ook geregeld in soortgelijke uitdossing aantreden. Het was immers ook een gevecht tegen de elementen, daar behalve de voorruit niets anders beschutting bood aan de inzittenden. Op geamuseerde toon beschrijft Buysse bijvoorbeeld hoe zijn 'drie dames', waarschijnlijk zijn stiefdochters, zich tijdens hun 'tour de France' stelselmatig begraven onder stapels jassen, dekens, sjaals en hoeden.

Ondanks het nog geringe comfort verhieven de hoge kostprijs, het onderhoud evenals het loon voor de geüniformeerde chauffeur de automobiel ogenblikkelijk tot een exclusief bezit, een statussymbool. Dat blijkt onder meer uit de prachtige roman Ragtime van E.L. Doctorow. Terwijl de succesvolle illusionist Houdini – de boeienkoning – zich rond laat rijden door New York, moet de zwarte bestuurder Coalhouse Walker met lede ogen aanzien dat racistische brandweerlieden zijn gloednieuwe wagen naar de vernieling helpen. Een 'neger' werd niet geacht een eigen auto te hebben, net zomin als een vrouw er een mocht besturen. Over Gertrude Stein schreef een progressief Frans tijdschrift ooit dat ze niet alleen boeken kon schrijven, maar 'bovendien' haar bestelwagen wonderwel door het drukke Parijse verkeer wist te manoeuvreren...

Hoewel Buysse zich getuige zijn geëngageerde romans terdege bewust was van zijn eigen bevoorrechte positie, vestigt hij er in deze reisverhalen zelden of nooit de aandacht op. Niettemin zijn de klassenverschillen onmiskenbaar, wanneer de schrijver Gaston, een jongen uit zijn geboortedorp Nevele – nabij Gent -, meeneemt als chauffeur. Behalve aan de onbehouwen manieren van deze knaap uit het volk die om de haverklap tot de meest komische situaties leiden, merk je dat vooral aan de sociale taalgrens die kenmerkend was voor het toenmalige Vlaanderen en ook dwars door de auto loopt. Terwijl Buysse zich met zijn medepassagiers, enkel aangeduid met "de Schilder" en "de Filosoof", in het Frans onderhoudt, spreekt en verstaat Gaston alleen maar Gents dialect. Gelukkig dat 'menier Cyriel' evenwel nooit minachtend heeft neergekeken op het Nederlands, dat destijds voor Vlaamse burgerlui nog altijd veruit de mindere was van de cultuurtaal Frans, want anders hadden we een van onze allergrootste vertellers moeten missen.

Maar ik dwaal af. Dat Ragtime opent met Houdini's autopech, en wel een imploderende motor, strookt ook helemaal met alle technische ellende die Buysse onderweg steevast te verduren krijgt. Op de vaak nog provisorische wegen regent het lekke banden. Ofschoon de bestuurder van dienst doorgaans een uur voor vertrek onder de motorkap verdwijnt en ook na aankomst in het hotel 's avonds een poosje sleutelt, kan de machinerie het alsnog op ieder moment laten afweten. Laconiek rapporteert hij hoe ze bij zo'n gelegenheid de defecte auto door een span boerenpaarden naar het dichtstbijzijnde stationnetje
moeten laten slepen om hem op transport te zetten; dat was meteen ook het einde van de tocht…

Hoezeer Buysse de vrijheid om te gaan en te staan waar je wil die de auto hem schenkt ook bij herhaling erkent, zijn nuchtere geestige kijk op de dingen verhindert elke vorm van futuristisch gedweep over snelheid of de mens-machine. Hoewel dit nieuwerwetse vervoermiddel ook bij hem nog een volwaardig personage mag heten, speelt het nooit de hoofdrol als in de poëzie van Marinetti of Bordewijks novelle Knorrende beesten. Het stelt hem voornamelijk in staat om frequent naar het zuiden af te zakken, en Frankrijk kriskras doorkruisend de landschappen van Bourgondië, de Provence, de Landée of Normandië en steden als Parijs, Dijon, Lyon of Nice in fijne sfeertekeningen te vangen. Omdat Buysses Nederlands bovendien even fris is gebleven als dat van Elsschot of Du Perron, kun je Reizen van toen ook vandaag nog met veel genoegen lezen als een alternatieve reisgids, een relativerend verslag van een der eerste toeristen.

Labels: , , ,

zaterdag 11 juli 2009

Levensechte opnames van het verleden

Dagboek van een lezerAdolfo Bioy Casares, Morels uitvinding (Meulenhoff, 1972).
Alberto Manguel, Dagboek van een lezer (Ambo, 2004).

Zijn Dagboek van een lezer opent Alberto Manguel in juni 2002 met Morels uitvinding van Adolfo Bioy Casares dat hij na vele jaren weer heroppakt. Over deze Argentijnse klassieker laat hij de hele maand zijn overpeinzingen en associaties de vrije loop. In navolging van hem hebben wij dit voor ons tot nog toe onbekende werk ook gelezen, en haken we hieronder op Manguels opmerkingen in. Als eerste is Karlijn aan de beurt, en vervolgens gaat ook Piet als derde lezer met hen in dialoog. Lees verder.

Karlijn
In Morels uitvinding bevindt de hoofdpersoon zich op een klein, verlaten eiland ergens in de Caribische zee. Achternagezeten door de politie van Venezuela, denkt hij hier een veilig en vooral eenzaam heenkomen te vinden. Leek hij in het begin inderdaad de enige persoon op het eiland te zijn, later wordt zijn alleen-zijn verstoord doordat er plotseling allemaal mensen verschijnen. Het zijn duidelijk vrienden van elkaar; ze gaan zwemmen, organiseren etentjes, kijken naar de zonsondergang, maken veel plezier.

In Melania Mazzucco’s Vita (2003), dat zich afspeelt in de Italiaanse immigrantengemeenschap in New York aan het begin van de twintigste eeuw, hoort de negenjarige hoofdpersoon onverwachts Enrico Caruso zingen. Verblijd als ze is dat hij hen is komen opzoeken veegt ze de viezigheid van haar gezicht, strijkt haar haren netjes en loopt met een grote glimlach de kamer binnen waar zijn stem vandaan komt.

Wanneer de hoofdpersoon van Adolfo Bioy Casares kennis wil gaan maken met de groep mensen, ‘indringers’ zoals hij hen in het begin noemt, blijkt dat ze op geen enkele manier op zijn toenaderingen reageren. Ze doen alsof hij er niet is, of ze zien hem werkelijk niet staan. Beeldt hij zich hen in? "Dit zijn geen hallucinaties en ook geen drogbeelden; het zijn echte mensen, minstens even echt als ikzelf," zegt hij stellig.

Maar Vita – zo heet het meisje uit Mazzucco’s roman – dacht ook heel zeker te weten dat Enrico Caruso achter de deur stond. Terwijl, toen ze de deur opendeed, de Napolitaanse zanger nergens te bekennen viel. Alleen zijn stem was aanwezig, voortgebracht door de grammofoon die de oudere jongens zopas hadden gestolen bij een winkelier uit de buurt.

Grammofoon, film en fotografie zijn uitvindingen om ons verlangen te bevredigen (fragmenten uit) het verleden te bewaren. Met de komst van digitale fotografie lijkt dat verlangen ongekende vormen aan te nemen. Sommige mensen lopen op vakantie constant met de camera in de hand. Om zodra zich een geschikt moment voordoet direct de foto te kunnen nemen. Dat je met honderden foto’s thuiskomt maakt niet uit, want de mislukte foto’s, die van de nare momenten, of die waarop je een lelijke grimas trekt, kun je toch weer wissen. Manguel heeft twee foto’s van Adolfo Bioy Casares, welke zou hij het liefst als boekenlegger gebruiken?

"Ik heb een foto van Bioy op zeventienjarige leeftijd, en profil, waarop hij een baard heeft en knap is in de klassieke zin. Ik heb ook een foto van hem bij onze laatste ontmoeting, met gebogen schouders en ingevallen wangen. Het is niet zeker of Morel liever de jongen zou hebben bewaard dan de sterven¬de man, of hij liever het beeld had van wat voorbij was, dan het beeld van wat hij zou worden."


Oscar Wildes Dorian Gray (The picture of Dorian Gray, 1890) koos in elk geval voor het beeld van wat hij vroeger was. Later bracht dit hem echter wel in de problemen. Ook Morel, één van de indringers op het eiland, wilde het geluk dat hij met zijn vrienden beleefde, de jeugdigheid die de groep uitstraalde, bewaren. Hij legde het vast met een speciaal, door hemzelf ontwikkeld apparaat zodat hij het telkens opnieuw kon projecteren. Het zijn dus geen ‘echte’ taferelen die de hoofdpersoon ziet, louter kopieën van de vakantie die de vriendengroep jaren geleden op het eiland beleefde. Tot in de eeuwigheid staat die op repeat all:

"Aanvankelijk wil Morel een bloemlezing maken van beelden die als gedenktekens worden tentoongesteld; daarom noemt hij het landhuis een museum. Hij zegt dat onze technologie voortdurend machines bedenkt 'die afwezigheid compenseren'. Afwezigheid, betoogt hij, is louter een ruimtelijke kwestie en hij stelt zich voor dat elk geluid en elk beeld dat ooit werd voortgebracht door mensen die nu niet meer leven, ergens voor eeuwig worden bewaard. Eens, hoopt hij, zal er een machine komen die in staat is om alles te opnieuw te maken, als een alfabet waarmee we elk mogelijk woord kunnen begrijpen en samenstellen.
Dan, zegt hij, 'wordt het leven een opslagruimte voor de dood.'"

Het unieke van Morels uitvinding is dat die niet alleen in staat is beeld en geluid op te nemen en ‘af te spelen’, maar ook geur, temperatuur en tactiele kenmerken. Alles wat door dat apparaat wordt opgeroepen kun je dus gewoon aanraken, en daarom zijn de projecties nauwelijks te onderscheiden van het origineel. Het opvallendste dat Morels uitvinding onderscheidt van traditionele opslagmedia (cd, foto, film) is dan ook de ruimtelijkheid van zijn projecties.

Alhoewel. Er bestaat nog een ander opslagmedium waar ik niet meteen aan had gedacht, veel ouder dan die twintigste-eeuwse uitvindingen: het standbeeld. Zelden heb ik levensechtere stilstaande straattaferelen gezien dan in het Cubaanse Camaguey, waar inwoners de meest karakteristieke buurtbewoners (drie babbelende oude dametjes, een man verdiept in zijn krant, iemand anders achter een kruiwagen) op een pleintje in brons hadden vereeuwigd in de pose die hen zo typeerde. En ook bij de vereeuwiging van beroemdheden wordt geregeld uitgegaan van hun natuurlijke houding en de setting waarin ze graag verbleven. Of: van de houding waarin we hen graag herinneren, en de plek waar we graag aan hen herinnerd willen worden. Zo zit Fernando Pessoa nog steeds op zijn vaste terras in Lissabon, en hangt Ernest Hemingway nog altijd aan de bar van zijn geliefde Havanese café El floridita.

Piet
De Chileense dichter Vicente Huidobro schreef in een essay uit 1921: "Het is opmerkelijk te moeten vaststellen dat de Mens bij diens uitvindingen dezelfde volgorde heeft gevolgd als de Natuur, zowel wat betreft het mechanische principe als de chronologie. Eerst kijkt de Mens, daarna luistert hij, vervolgens praat hij en ten slotte denkt hij na. (...) Eerst vond hij de fotografie uit die bestaat uit een mechanische optische zenuw. Vervolgens de telefoon die een mechanische gehoorzenuw is. Dan de grammofoon die uit mechanische stembanden bestaat; en, ten slotte, de film die het mechanische denken is." Hoewel deze observatie ietwat geforceerd aandoet, interessant is ze wel. Met name de laatste parallel tussen cinema en het menselijke denken ligt niet meteen voor de hand, maar houdt tot op zekere hoogte wel steek. Tenminste, zelf denk ik toch hoofdzakelijk in snel wisselende beelden die ook bijna altijd van woorden en andere geluiden vergezeld gaan. Waar de vergelijking met de film mank loopt, is het tastbare driedimensionale karakter van de meeste droom- en denkbeelden. In mijn herinneringen vervagen geuren en smaken dan weer snel, maar ik kan me best voorstellen dat deze bij mensen met een fijnere neus en een beter ontwikkelde smaak juist in al hun schakeringen bewaard blijven.

In menig opzicht lijkt Morels uitvinding dus rijker en geavanceerder dan het alledaagse denkproces. Zoals Manguel, met een verwijzing naar Aldous Huxley, preciseert: "In tegenstelling tot de 'feelies' van Huxley (de films uit Brave New World die je kunt aanraken of 'betasten') kunnen de geprojecteerde beelden van Morel niet alleen via de tastzin, maar ook via de reuk worden ervaren (een techniek die volgens hem gemakkelijk is te realiseren) en doordat je warmte voelt." Morels projectieapparaat zou Huidobro overigens ten zeerste behaagd hebben, want zoals hij in een andere tekst te kennen gaf droomde hijzelf sedert jaren van een soort caleidoscoop van de reuk. In plaats van een serie plaatjes zou dit toestel dan verschillende parfums en natuurlijke geuren moeten reproduceren.

Morels uitvindingMorels beelden schijnen een perfecte kopie van de werkelijkheid te zijn, maar dat klopt ook toch weer niet helemaal. Morel "weet ook zeker dat zijn 'imitatiemensen' geen bewustzijn hebben - net zoals de personages in een film, voegt hij eraan toe." Het roept ogenblikkelijk associaties wakker met Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld (1985) van Haruki Murakami, waarin het hoofdpersonage in een hoog ommuurde, strikt van de buitenwereld afgesneden stad verzeild raakt, waar de inwoners geen ‘geest’ meer bezitten. Die wordt hen ontnomen wanneer ze bij binnenkomst van de stad hun schaduw, waarmee hun vroegere identiteit en herinneringen verbonden zijn, moeten afstaan aan de poortwachter. Zowel het voorkomen van deze bullebak als diens toezicht op het betalen van het 'tolgeld', de schaduwen dus, stellen hem onmiskenbaar op één lijn met de veerman Charon die in de klassieke onderwereld de zielen van de doden over de Styx roeide. Trouwens, ook in Dantes
Vagevuur blijkt dat de op de Louteringsberg ronddolende schimmen hun schaduw hebben verloren, zodat de enige levende in hun midden - de dichter zelf dus - aan zijn donkere alterego herkend kan worden.

Zelfs al werpen Morels ‘imitatiemensen’ nog steeds schaduwen af en is er hoegenaamd niets ongewoons aan hen te zien, te voelen of te ruiken, bij ontstentenis van een bewustzijn zijn ze moeilijk te onderscheiden van doden of op z'n minst van willoze marionetten. Manguel: "Een gelukje voor de mensbeelden van Morel: ze hebben zelf geen weet van de herhaling; ze beleven elk ogenblik steeds alsof het de eerste keer is." Kunnen ze überhaupt ergens weet van hebben of iets daadwerkelijk ‘beleven’ zonder bewustzijn? Ik betwijfel het ten stelligste. En toch heeft Manguel evenmin ongelijk. Hier stuiten we dan ook op een paradox die er geen is. Enerzijds worden Morel en zijn vrienden telkens opnieuw geprojecteerd zoals ze bij de oorspronkelijke opname zijn vastgelegd, dit wil zeggen, met ogenschijnlijk dezelfde fysieke verschijning, uitspraken en handelingen evenals met dezelfde bijbehorende gedachten, gevoelens en emoties.

Dit heeft tot gevolg dat deze mensen zo levensecht schijnen en ieder ogenblik als voor het eerst 'ervaren'. Anderzijds mogen we echter niet vergeten dat de door de verteller geobserveerde personen niet langer de modellen zijn maar hun identieke kopieën, louter voortbrengselen van Morels machinerie. Zij nemen helemaal geen nieuwe prikkels meer waar, zodat wanneer de verteller doodleuk tussen hen in komt lopen, ze straal langs hem heen kijken. Zodra de apparatuur vanwege een stroomonderbreking stilvalt, verdwijnen ze dan ook spoorloos van het eiland. Kortom, in vergelijking met andere media zoals fotografie,
film, beeldhouwkunst of geluidsopname slaagt Morels uitvinding erin veruit het meest verbluffende, overtuigende simulacrum te genereren, maar dit belet niet dat het uiteindelijke resultaat evenals de foto, de film, het standbeeld of de cd slechts dood materiaal is, ook al behelst het dan uitzonderlijk de zielenroerselen van de geprojecteerden. Op die manier ontstaat de mogelijkheid 'ervaring' en 'beleving' ook na de dood van de persoon in kwestie getrouw te reproduceren en, zo meent Morel, "wordt het leven een opslagruimte voor de dood."

Deze laatste zinsnede, die Karlijn ook reeds had aangehaald, benoemt heel treffend het unheimliche aura dat Morels uitvinding aankleeft. Deze machine passeert immers de ondoordringbare grens tussen leven en dood, zijn en niet zijn, bestaan en niet bestaan. Wie of wat eenmaal geregistreerd wordt door dit apparaat, moet ook onherroepelijk sterven. Dat beseft de verteller maar al te goed. Het weerhoudt hem er niet van om zich ten slotte als een van de 'acteurs' te laten vereeuwigen, zodat het eventuele toekomstige bezoekers zal voorkomen alsof hij tot het gezelschap van Morel behoorde, terwijl ze elkaar bij leven
uiteraard nooit hebben gekend. Dit is de mythe van Pygmalion op z'n kop: in plaats van een sculptuur leven in te blazen tovert Morel echte mensen om tot levenloze, doch ademende, voelende, pratende, luisterende, bewegende en geurende standbeelden. Waar ligt hier dan nog de ontologische scheidslijn tussen leven en dood, de 'echte' en de gemediatiseerde werkelijkheid? Het wordt me steeds duidelijker waarom Borges en Bioy zulke dikke maatjes waren... Op dit gedachte-experiment raak je nooit uitgekeken.

Labels: , , ,