Vier jaar vol zinnelijke poëzie
In de openingsregels van Poetry and the Fate of the Senses (2002) vat de auteur Susan Stewart het programma voor deze lijvige studie, waaraan ze meer dan tien jaar heeft gewrocht, verrassend eenvoudig samen: This is a book about poetic making of all kinds, and particularly about such making by means of measured language. My method has been to explain to myself and to the reader a general theory of poetic forms - forms arising out of sense experience and producing, as they make sense experience intelligible to others, intersubjective meaning.Lees verder.
Eigenlijk wil Stewart in dit boek een zeer basale relatie onderzoeken: die tussen taal en ervaring, maar dan net iets specifieker, die tussen poëzie en zintuiglijke ervaring. In hoeverre is het taalgebruik dat we poëzie noemen gebaseerd op zintuiglijke indrukken en hoe maakt het, op zijn beurt, deze indrukken weer inzichtelijk of begrijpbaar voor anderen? Aldus luidt de kernvraag die Stewart hoopt te beantwoorden in de daaropvolgende 300 pagina's.
Tot op zekere hoogte is dit ook de vraag die aan mijn promotieonderzoek, dat afgelopen september van start is gegaan en vier jaar zal duren, ten grondslag ligt. Geregeld informeren mensen naar het doel van mijn project – want waar hou je je toch al die tijd zo intensief mee bezig? – en dan zou ik hun graag dit citaat van Stewart willen voorlezen. Zij slaagt er immers in om in enkele zinnen een cruciale vooronderstelling te formuleren, namelijk: onze waarnemingen van de wereld maken we door middel van woorden kenbaar aan anderen, met als gevolg dat onze taal en dus ook poëzie in sterke mate bepaald wordt door onze manier van observeren.
Zo heeft veel van onze woordenschat een perceptuele oorsprong waarvan we ons door de conventie niet altijd meer bewust zijn: woorden als ‘visie’, 'ogenschijnlijk', 'gehoorzaam', 'zachtmoedig' of 'verzuurd'; of in geijkte combinaties en uitdrukkingen als een 'scherp' verstand, 'handgemeen' raken, of iets 'door het slijk halen'. Mochten we naast ogen, oren, huid, neus en mond nog andere zintuigen tot onze beschikking gehad hebben, zoals voelsprieten, had dit ongetwijfeld sporen in ons vocabulaire nagelaten.
Omgekeerd oefent ons praten en denken ook een grote invloed uit op onze wijze van waarnemen. Net als veel andere westerse talen doet het Nederlands, bijvoorbeeld, een consequent beroep op visuele termen en metaforen om kenprocessen te beschrijven: tot een bepaald 'inzicht' komen, de waarheid 'onder ogen zien', vanuit 'dit perspectief bekeken' of een list 'doorzien'. Als we van kindsbeen af te horen krijgen dat je 'eerst moet zien eer te geloven' is het inderdaad niet zo verwonderlijk dat we het gezichtsvermogen als belangrijkste en betrouwbaarste bron van kennis 'beschouwen'. Mede hierdoor zijn we nog steeds geneigd foto's en camerabeelden voor een objectieve weergave van de werkelijkheid aan te zien, terwijl we inmiddels wel degelijk weten hoezeer ook beeldmateriaal gemanipuleerd kan worden en immer ideologisch gekleurd is.
Ik heb het vooralsnog alleen maar over taal in het algemeen gehad, maar dat deed ik slechts om de particuliere rol van poëzie in dit proces beter uit te kunnen lichten. Doordat gedichten immers vaak onze aandacht op de werking van taal richten, zorgen ze er ook voor dat de vergeten zintuiglijkheid die in de woorden besloten ligt ook aan de oppervlakte treedt. Door rijm en maat horen we muziek in de verzen doorklinken; het ritme is vaak net als bij dans in staat nog diepere affectievere sensaties op te wekken, terwijl de metaforiek soms heel sterke beelden oproept. Dit betreft de traditionele lyriek, die Stewart met 'measured language' aanduidt.
In mijn proefschrift analyseer ik echter vooral het avant-gardistische werk van drie vroegtwintigste-eeuwse dichters: de Chileen Vicente Huidobro (1893-1948), de Belg Paul Van Ostaijen (1896-1928) en de Amerikaanse Gertrude Stein (1872-1946). Zij experimenteerden voortdurend met allerhande nieuwe stilistische technieken als puur klankspel, fantastische of zelfs absurde beeldspraak, ongewone bladspiegels en typografie. Maar waarom moest de poëzie plots zo drastisch hervormd worden? In essays en schreeuwerige manifesten betoogden ze zelf bij herhaling dat deze innovaties noodzakelijk waren om de poëzie in overeenstemming te brengen met de dynamische tijden waarin ze leefden.
Naar ik vermoed en, dit is wat ik mijn proefschrift wil toetsen, houdt deze verregaande poëziehervorming verband met vele nieuwe perceptuele ervaringen uit die periode. Begin twintigste eeuw kwamen tal van technologische, sociale en culturele ontwikkelingen in een stroomversnelling, zoals de modernisering van transport- en communicatiemiddelen, de verstedelijking, of de opkomst van de massamedia en -cultuur. Deze zouden voor miljoenen mensen de aanblik der dingen ingrijpend wijzigen. Denken we maar aan hoe anders een landschap oogde toen je er ineens tegen hoge snelheid doorheen kon razen of overheen vliegen; aan hoe een stem door telefoon of radio ‘los’ kon komen van de spreker; aan hoe de Hollywood-producties almaar meer kijklustigen naar de gloednieuwe bioscopen lokten en hoe men opging in de grootsteedse drukte vol onbekende gezichten, uitlaatgassen, flarden van gesprekken en gedrang. In mijn proefschrift wil ik derhalve nagaan in hoeverre al deze zintuiglijke prikkels hun weerslag hebben gevonden in de opvallende poëtische vormexperimenten van toen.
Mijn benadering van de relatie poëzie-zintuiglijkheid is cultuurhistorischer bepaald dan die van Susan Stewart. Zij wil veeleer achterhalen wat perceptie en lyriek elkaar door de eeuwen heen te vertellen hadden:
"My emphasis on common human experiences of the senses, facial expression, vocalization of sounds, motion, and rhythm directs the theoretical part of this argument toward, if not universality, a formalism that is meant to reach across various historical and cultural contexts."Niettemin heeft haar boek me alvast een aardig eind op weg geholpen.
Labels: poëzie, waarneming
Zondag 15 november a.s. is Ruth Lasters een van de centrale gasten in
Platero y yo (Platero en ik, Uitgeverij IJzer, 2005) verscheen voor het eerst volledig in 1917. Het is waarschijnlijk wereldwijd het bekendste en meest vertaalde boek van de Spaanse dichter Juan Ramón Jiménez (1881-1958). Dat het vaak onterecht tot de jeugdliteratuur is gerekend, zal wel gedeeltelijk te wijten zijn aan het zeer eenvoudige taalgebruik van de 135 korte hoofdstukjes of prozagedichten, maar dat is toch niet de voornaamste reden. Deze onopgesmukte stijl moet vooral het onschuldig aandoende verhaal beter tot zijn recht laten komen: de soms ontroerende, soms lachwekkende lotgevallen van een zonderlinge dichter met zijn ezeltje Platero. Samen beleven ze allerlei avonturen in en om het Andalusische plaatsje Moguer, waar Juan Ramón ook zelf werd geboren.
A.s. zondag 11 oktober is de Nederlandse dichter des vaderlands en voormalig stadsdichter van Antwerpen Ramsey Nasr te gast in het Kortrijkse 