donderdag 3 december 2009

De wereldlozen

Fernando PessoaDe Spaanse filosoof José Ortega y Gasset heeft in de eerste decennia van de twintigste eeuw herhaaldelijk betoogd dat onze actuele kennis niet langer bij machte is de 'chaos' als één coherent betekenisvol geheel of 'wereld' inzichtelijk te maken. Daarvoor zijn de natuur- en geesteswetenschappen al te zeer gespecialiseerd in disciplines en subdisciplines, en missen ze bovendien zowel een gedeeld uitgangspunt als een gezamenlijk oogmerk. Wat ons nog rest zijn talloze perspectieven die op zich ieder hun bijbehorende 'wereld' organiseren. Lees verder.

Bijvoorbeeld, een macro-econoom zal de huidige financiële crisis geheel anders interpreteren dan een cultuurhistoricus of psycholoog, daar niet alleen hun methodologie verschilt maar ook het eigenlijke feitenmateriaal dat ze relevant achten evenals de soort oplossing die zij beogen uit te werken. Natuurlijk gebeurt er wel veel interdisciplinair onderzoek en wordt wel vaak getracht een consensus te bereiken of kruisbestuiving tussen de vakgebieden te bevorderen.

Mij is het echter hier om te doen dat Ortega's metafoor van het grote aantal perspectieven treffend de typisch moderne ervaring uitdrukt geen totaalbeeld van de ons omringende werkelijkheid te kunnen verwerven. Virginia Woolfs roman Mrs. Dalloway demonstreert dit principe heel mooi in de strikt zintuiglijke betekenis van individuele gezichts- of gehoorpunten die naast elkaar bestaan zonder op enig moment samen te vallen.

Binnen één persoon kunnen zich evenwel ook meerdere onverenigbare perspectieven aandienen en zelfs tot autonome alter ego's uitgroeien, zoals in het geval van Fernando Pessoa waar ze niet alleen een eigen naam krijgen toegewezen maar ook een kenmerkende levensvisie en stijl: de met technologische vernieuwingen dwepende futurist Álvaro de Campos, de stoïcijn en anti-intellectueel Ricardo Reis, de dromerige romanticus Bernardo Soares, etcetera. Of denken we maar aan dat kortverhaal van Jorge Luis Borges waarin hij zijn jongere zelf ontmoet of aan John Banvilles Schijngestalte waarin een succesvolle literatuurwetenschapper een nieuwe biografie construeert om zijn vroegere ik achter te verbergen.

Soms wortelen de met elkaar geconfronteerde standpunten ook in uiteenlopende tijden en culturen, zoals in Le Clézio's Omwentelingen of Melaniia Mazzucco's Vita. Beide zijn het familiegeschiedenissen waarvan de door jaren en ruimte gescheiden protagonisten steeds 'hetzelfde' verhaal op hun manier presenteren.

Enerzijds schijnen deze literaire voorbeelden ver af te liggen van waar Ortega oorspronkelijk op doelde, maar anderzijds geloof ik dat ze elk op zich ook manifestaties zijn van het gebrek aan een collectief gedragen wereldbeschouwing. Het is geen toeval dat ik met twee hedendaagse teksten afrond, want wellicht zijn we vandaag nog 'wereldlozer' dan de meest kritische modernisten. Gelukkig beschikken we op dit blog wel over een afdoende tegengif: het perspectief dat de literatuur ons verschaft.

Labels: ,

zondag 15 november 2009

The self-made man

Een huis in Great Neck (New York), dat model stond voor West Egg, in 1926Als er één personage uit de wereldliteratuur de American dream belichaamt, dan moet dat zonder twijfel 'the great Gatsby' zijn uit F. Scott Fitzgeralds gelijknamige roman (1925). Door tal van toevalligheden maar ook door rotklusjes voor de juiste mensen op te knappen, heeft deze arme sloeber uit een achterlijk gehucht op de oevers van Lake Superior zich weten op te werken tot een vermogende zakenman die in zijn majestueuze villa, in West Egg, wekelijks partijen geeft voor de New Yorkse high society. Op dat moment heeft James Gatz reeds lang zijn naam veranderd in het veel joyeuzere Jay Gatsby, zich een nieuwe biografie aangemeten en zijn ouders doodverklaard:

His parents were shiftless and unsuccessful farm people -—his imagination had never really accepted them as his parents at all. The truth was that Jay Gatsby of West Egg, Long Island, sprang from his Platonic conception of himself. He was a son of God – a phrase which, if it means anything, means just that—and he must be about His Father's business, the service of a vast, vulgar, and meretricious beauty.
So he invented just the sort of Jay Gatsby that a seventeen-year-old boy would be likely to invent, and to this conception he was faithful to the end.
Wat Gatsby evenwel eerder sympathiek dan koel berekenend en zelfs een tikkeltje tragisch maakt, is dat hijzelf heilig gelooft in deze creatie. Wanneer de verteller van dienst en Gastby's buurman, Nick Carraway, erachter komt dat zijn vriend zoveel glitter en succes tentoonspreidt om zijn verloren jeugdliefde Daisy terug te winnen, probeert deze hem nog wakker te schudden:

“I wouldn’t ask too much of her,” I ventured. “You can’t repeat the past.”
“Can’t repeat the past?” he cried incredulously. “Why of course you can!”
He looked around him wildly, as if the past were lurking here in the shadow of his house, just out of reach of his hand.
Gek genoeg vormt het huis in chateau-stijl ook zijn verleden, of tenminste, zijn gewilde verleden en zelfbeeld. Hij heeft zijn zelf als het ware veruitwendigd zodat, wanneer de droom ten langen leste uiteenspat, in zijn binnenste nog slechts een onleefbare leegte achterblijft...

Labels: , ,

vrijdag 25 september 2009

Draaien om de vertel-as

J.M.G. Le Clézio, Omwentelingen (Breda: De Geus, 2004).

omwenteling de (v.)

1 draaiing van een voorwerp om zijn as

In het post-Einsteinuniversum bestaat geen enkelvoudige kosmische tijd, maar is elk lichaam dat door een cyclus gaat een klok die zijn eigen tijd creëert. Het statuut van klok komt bijgevolg behalve onze planeet, ook iedere plant, dier of mens toe.

Jean Marro leidt het jachtige globetrottersbestaan van een adolescent in de tweede helft van de twintigste eeuw. Opgegroeid in Nice vertrekt hij naar Londen om medicijnen te studeren, zoekt vervolgens het avontuur in Mexico Stad, keert terug naar Frankrijk, naar zijn geboortestad, huwt zijn Algerijnse vrouw Mariam later in Parijs. Lees verder.

De blinde Cathérine zit eenzaam in haar bouwvallige flatje in Nice, thans bejaard, dromend over het landgoed Rozelis op Mauritius. Op dat eiland in de Indische Oceaan heeft ze haar kindertijd doorgebracht, totdat het gezin in 1910 hun eigendom vanwege schulden moest verlaten. Sedert 1918 woont ze, sterk verarmd, in Frankrijk en koestert er de herinnering aan haar verloren paradijs. Nu wacht ze iedere middag op haar neefs klopje op de deur, haar vingers die op de tast Jeans gezicht herkennen, alle verhalen over vroeger die ze hem daarna vertelt.

Zoals honderdduizenden andere boerenzoons trekt de Breton Jean Eudes Marro in 1794 vrijwillig ten strijde voor de Revolutie, behaalt samen met hen de overwinning op de Pruisen bij Valmy, maar neemt ten slotte ontslag uit onvrede met de plunderingen van boerderijen ter bevoorrading van het leger. Terug in Bretagne krijgt hij wegens zijn verleden als sansculotte evenwel af te rekenen met het wantrouwen
van zijn overwegend katholieke dorpsgenoten, zodat hij met zijn jonge vrouw Marie-Anne naar Ile de France - de oude naam van Mauritius - besluit te emigreren om er als kolonisten de revolutionaire idealen in praktijk te brengen. Wanneer ze aan boord van de Rozelis de haven van Le Havre uitvaren voor een maandenlange gevaarlijke zeereis beseffen ze dat ze nu voor het laatst in hun leven de Franse rotskusten zien.

Kiambé "dochter van de krijger Askari" is uit Madagaskar als gevangene weggevoerd naar Ile de France waar ze, een van de weinigen die de overtocht in erbarmelijke omstandigheden hebben overleefd, in de hoofdstad Port-Louis slavenarbeid moet verrichten. De hoop op bevrijding gloort echter voor Kiambé, wanneer onder leiding van de legendarische Ratsitatane in 1822 naar het lichtend voorbeeld van Saint-Domingue een slavenopstand uitbreekt. Zelfs nadat het oproer is neergeslagen en de leiders publiekelijk zijn onthoofd om eventuele navolgers af te schrikken, voelt Kiambé zich opnieuw verbonden met haar geboortegrond door Ratsitatanes kind in haar buik. Weldra zal haar man terugkeren, weet ze, en zal hij hen beiden meenemen "op het grote schip naar het grote land."

2 algehele verandering, ommekeer in de staatskundige en/of maatschappelijke toestanden in een land ten gevolge van de actie van hen die aan die toestanden onderworpen waren en die een nieuwe regering invoeren
Synoniem: revolutie

Wat bijna al deze levens met elkaar gemeen hebben is dat de loop ervan bepaald wordt door het revolutionaire geweld van de jongste eeuwen. Voor Jean Eudes en Kiambé zijn dat de bloedige naweeën van 1789. Het geloof in liberté, égalité, fraternité is samen met tienduizenden 'tegenstanders van de Republiek' onder Robespierres guillotine onthoofd. De slavernij die door de Nationale Conventie was afgeschaft omdat deze praktijk niet langer strookte met de gloednieuwe Verklaring van de Rechten van de Mens, heeft Napoleon weer ingevoerd in de overzeese kolonies.

150 jaar later sneuvelt Jeans beste vriend in de Algerijnse bevrijdingsoorlog, terwijl zijn toekomstige vrouw Mariam op een haar na door een aanstormende Franse tank vermorzeld wordt in de straten van Algiers. Later zijn ze getuige van de studentenprotesten, Mariam in Parijs in mei 1968, Jean van het bloedbad van Tlatelolco in Mexico Stad, wanneer het leger op 2 oktober het vuur opent op de demonstranten en er honderden doden achterblijven.

3 algehele verandering in de toestand van iets, in een staat van zaken

Het is nog maar de vraag of al deze politieke omwentelingen ooit daadwerkelijk enige vooruitgang hebben bewerkstelligd. Zoals Walter Benjamins "engel van de geschiedenis" moet constateren: "Hij heeft het gelaat naar het verleden toegekeerd. Waar voor ons een aaneenschakeling van gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één grote catastrofe die onafgebroken puinhoop op puinhoop stapelt en ze hem voor de voeten smijt." En desalniettemin blijven de verwachtingen hoog gespannen opdat de collectieve wil er ditmaal wel in zal slagen de richting van de gebeurtenissen te wijzigen.

Echter, aangenomen dat een revolutie wezenlijk ten doel heeft een verstoord evenwicht te herstellen, de ongelijkheid ongedaan te maken, dan lijkt deze pas echt vorm te krijgen in de omarming van twee geliefden. Alleen in de omhelzing van Kiambé en Ratsitatane, van Jean Eudes en Marie-Anne, van Jean en Mariam, schittert even het transparante moment van de éénwording, de balans, de stilstand, de ware ommekeer.

revolutie de (v.)

1 (astronomie) jaarlijkse omwenteling van de aarde om de zon

Naast een subjectieve tijd is er ook de publieke tijd, waardoor het op miljoenen horloges binnen eenzelfde tijdzone ongeveer even laat kan zijn en evenveel kalenders dezelfde datum aangeven. Aangezien deze 'lokale' tijdrekeningen - nu met de enorme omvang van een meridiaan, vroeger veeleer samenvallend met een rijk, cultuur of religie - bij benadering natuurlijke cycli volgen, meestal die van de zon, soms ook die van de maan zoals in de islam, is de Aarde door de eeuwen heen toch dé klok gebleken waarop we ons allemaal, weliswaar ieder vanuit een eigen perspectief, hebben gericht. Het beeld van om de zon draaiende planeet drukt dan ook als geen ander de spanning uit tussen beweging en stagnering, voortgang en wederkeer, diversiteit en eenheid. Terwijl ruimtelijk gezien miljarden mensen naast elkaar op het aardoppervlak verschillende levens leiden, zoals dat van Jean in Mexico en dat van Mariam in Parijs, bevindt de bol onder ieders voeten zich steevast op hetzelfde punt van zijn omloop.

Wat betreft tijd geloven we graag dat de geschiedenis eindeloze ontwikkeling en geen herhaling kent, maar deze moet zich dan wel voltrekken tegen de achtergrond van de eeuwig repetitieve natuurprocessen. Wellicht wordt de menselijke historie net zo goed beheerst door de organische kringloop der seizoenen en maakt ze afwisselend periodes van ontluiking, bloei en verval door.

Dit is de natuurgebonden wijsheid die Jean evenzeer bij de oude Mexicaanse culturen aantreft als bij de presocratici, aan wie hij reeds op jonge leeftijd verknocht raakt. Zo heeft Parmenides van Elea gezegd: "Het maakt niet uit waar ik begin want daar kom ik ook weer uit." Dit inzicht verbindt de adolescent Jean Marro in de tweede helft van de twintigste eeuw bovendien met Kiambé, de dochter van de krijger Askari, die begrijpt dat met haar kind Ratsitatane herboren zal worden. Meer dan anderhalve eeuw scheidt het vertrek van Jean Eudes en zijn vrouw Marie-Anne naar Ile de France van de reis van Jean Marro en Mariam naar Mauritius, maar als Jean aan het graf van zijn voorouders staat is de omwenteling voltooid.

Toch zou dit alles ondenkbaar zijn zonder Cathérine, Jeans tante die hem over zijn familie op Mauritius heeft verteld. Zij vormt de as waarrond Omwentelingen draait, het blinde oog van de storm, wiens verhalen ervoor zorgen dat de flat in Jeans verbeelding plots wiegt als een schip, zoals de Rozelis misschien, en de ommegang begint.

Labels: , , , , , , ,

zondag 13 september 2009

De vergeten passagiers van de Beagle

Vanavond starten de uitzendingen van de documentaireserie Beagle. In het kielzog van Darwin op de Nederlandse televisie. Bert Sliggers, curator van het Haarlemse Teylers Museum en straks ook opvarende van de Beagle, haalt in een interview met Athenaeum Boekhandel een vergeten episode van deze beroemde reis aan.

De HMS Beagle meert aan in Vuurland. Schilderij van Conrad Martens (1801-1878)Behalve de passagier die onze blik op de oorsprong van het leven zou veranderen vervoerde het schip namelijk ook vier Vuurlanders, leden van de Yamani-stam, die enkele jaren voordien naar Engeland waren meegenomen om 'beschaafd' te worden. Gekerstend en wel werden ze nu door de Beagle terug thuis gebracht, opdat ze er voortaan het 'goede' voorbeeld konden stellen. Dit vergeten verhaal en ook het navrante vervolg ervan heeft de Brits-Argentijnse Sylvia Iparraguirre verwerkt tot haar boeiende historische roman Vuurland (De Geus, 2001).

Labels: , , ,

woensdag 29 juli 2009

Spiegelpaleis der persoonsverwisselingen

Ignacio Padilla, Amphitryon (Amsterdam: De Bezige Bij, 2002).

Een lange baard laten groeien, sterk vermageren, zich terugtrekken in een buitenwijk van Belgrado en zich onder een valse naam uitgeven voor een dokter in de alternatieve geneeskunde, dat zijn in een notendop de kunstgrepen die Radovan Karadzic, voormalig Servisch-Bosnisch leider en berucht oorlogsmisdadiger, heeft toegepast om uit handen van de justitie te blijven. Volgens experts had vooral zijn fysieke vermomming beter gekund, met name in een tijd waarin de plastische chirurgie mirakelen vermag te verrichten. Lees verder.

Daarentegen betoonden de deskundigen wel respect voor de manier waarop Karadzic zich een nieuwe overtuigende voorgeschiedenis wist aan te meten. Iedereen die het horen wilde vertelde hij immers dat hij zijn familie in de Verenigde Staten had achtergelaten, waarbij een foto van zijn vier kinderen in t-shirts van de L.A.-Lakers aan de muur van zijn woonkamer als voornaamste bewijs moest dienen. Het heeft hem niet mogen baten, want zoals bekend is hij, zij het vele jaren te laat, ingerekend.

Niettemin roept deze kwestie prangende vragen op aangaande de maakbaarheid van de menselijke identiteit. Volstaat het werkelijk om een nieuwe naam aan te nemen, een bijbehorend levensverhaal te verzinnen en eventueel iemands voorkomen te wijzigen om van hem of haar een ander mens te maken? Over het algemeen gaan we ervan uit dat we een stabiele persoonlijkheid bezitten, een innerlijke kern, een welomschreven ik, die weliswaar samen met het lichaam van kind naar adolescent, volwassene en ten slotte bejaarde evolueert maar bovenal continuïteit aan deze ontwikkeling verleent. Blijft deze kern dan niet bestaan, zelfs al voltrekt zich aan ons de meest radicale metamorfose?

Beroemde voorbeelden uit de westerse literatuur lijken te suggereren van wel. Bij Ovidius staat te lezen dat, wanneer Acteon tijdens een jachtpartij per ongeluk op de badende godin Diane stuit en zij hem als straf voor het aanschouwen van haar naaktheid in een hert verandert, de ongelukkige doodsbang wordt voor de andere jagers omdat deze hem nu wel eens voor een mals stukje wild zouden kunnen aanzien. Niet ten onrechte, zo blijkt, want ondanks Acteons pogingen zijn vrienden te waarschuwen dat hij geen echt hert is maar hun betoverde kameraad, wordt hij zonder pardon neergeschoten...

Ook Gregor Samsa uit De gedaanteverwisseling van Franz Kafka blijft ogenschijnlijk innerlijk zichzelf, nadat hij op een ochtend als kever is ontwaakt en bijgevolg gedwongen wordt zijn individuele wil aan de instincten, gedrags- en voedingspatronen van dit afstotelijke lijf ondergeschikt te maken. Het feit dat zijn familieleden hun afkeer van hun monsterlijke huisgenoot overwinnen om hem dagelijks rottende etensresten te voeren, kan er op wijzen dat ook zij onder dat hoornen schild en in die kop met voelsprieten nog een restje Gregor vermoeden.

Dit zijn evenwel allebei gedwongen metamorfosen, waar de desbetreffende hoofdrolspelers zelf geen vat op hebben. Hoewel het bij Kafka niet geheel duidelijk wordt welke instantie de verdierlijking bewerkstelligt, lijkt Gregor Samsa's lot naar analogie met Ovidius' wrekende godin ook met een waas van schuld, boete en vergelding omgeven. Hoe dan ook is er in Kafka's novelle geenszins sprake van vrije keus. Maar hoe staat het met de zelfgekozen persoonsverwisselingen, zoals die van voornoemde Karadzic?

Een opmerkelijk geval hiervan verschaft ons Pascal Mercier in zijn Nachttrein naar Lissabon. Na een toevallige ontmoeting met een Portugese vrouw besluit de leraar klassieke talen Gregorius namelijk zijn vertrouwde leventje in Bern op te geven en naar Lissabon af te reizen. Hoewel hier geen sprake is van een gedaanteverwisseling in de letterlijke zin van het woord - Gregorius brengt geen bewuste veranderingen aan in zijn biografie of fysieke verschijning -, heeft het er desondanks alle schijn van dat hij in de laatste stad van Europa inderdaad herboren wordt. Symbolisch komt dit tot uitdrukking in de nieuwe bril die hij in Portugal heeft moeten aanschaffen, nadat zijn oude bij een valpartij gesneuveld is, en waardoor hij zijn omgeving onverwachts op geheel andere wijze waarneemt.

Echter, dit keerpunt in Gregorius' bestaan betekent evenmin een volledige breuk met zijn verleden. Veeleer biedt het hem de kans zich om te draaien, de afgelegde weg te overzien en de gemiste afslagen alsnog uit te proberen. Terwijl hij zijn mislukte huwelijk met een van zijn vroegere studentes overdenkt, tracht hij tezelfdertijd zijn reeds lang vervlogen passie voor het Perzisch die hem tientallen jaren geleden bijna een baantje als huisleraar in Isfahan heeft doen aanvaarden, terug aan te wakkeren. Kortom, Gregorius haalt evenzeer bakzeil als het erop aankomt zijn Bernse ik daadwerkelijk af te schudden.

Wellicht hoeft dit geen verwondering te wekken, want wat is die zogenaamde persoonlijkheid, die kern van ons op de keper beschouwd behalve een verzameling unieke ervaringen en herinneringen? Tot dit inzicht lijkt ook Ignacio Padilla de lezers van zijn Amphitryon te willen brengen. In deze ambitieuze labyrintische roman, waarom het me hier ook eigenlijk te doen was, worden niet alleen talloze identiteiten vervalst of moedwillig afgelegd, maar zijn ze bovendien tot ordinaire handelswaar gedegradeerd. De personages schrikken er immers niet voor terug om hun naam en lot te verruilen, te versjacheren en zelfs koudweg op het spel te zetten.

In de openingsbladzijden van het boek is het al gelijk zover: ten tijde van de Eerste Wereldoorlog treffen twee jonge mannen, Viktor Kretschmar en Thadeus Dreyer geheten, elkaar per toeval in een treincoupé wanneer ze op weg zijn naar hun toekomstige betrekkingen, de een als seinwachter op de lijn München-Salzburg, de ander als frontsoldaat bij de Oostenrijks-Hongaarse troepen in Sarajevo. Ze besluiten een schaakpartij te spelen met hun persoonsgegevens als inzet. De winnaar wacht een gezapig leventje in een seinhuisje, de verliezer een gewisse dood in de loopgraven. Dreyer wint en wordt als gevolg van hun afspraak de nieuwe spoorwegbeambte Kretschmar, maar dit brengt hem nog niet het verhoopte geluk. Zelf de saaie routine van zijn baan verfoeiend verneemt Kretschmar namelijk enkele jaren later dat Dreyer tegen alle verwachtingen in de oorlog overleefd heeft, sterker nog, dat hij als gedecoreerde oorlogsheld nu snel carrière maakt in het Duitse leger, zodat de verbolgen seinwachter al spoedig op wraak zint. Opnieuw zien we hier hoe het verleden uit de diepste krochten van het lichaam opwelt en door het oppervlak van de permanente maskerade heen breekt. Kan Kretschmar het niet verkroppen dat Dreyer thans de faam geniet die hemzelf te beurt had moeten vallen? Of wortelt zijn rancune in nog veel mistiger, onwelriekender moerassen van de geest, en wordt hij veeleer getergd door het besef dat, indien hij zijn vroegere identiteit had behouden, het hem veel slechter zou zijn vergaan, dat het hem sowieso aan het nodige lef zou hebben ontbroken?

Hoe het ook zij, wat Kretschmar niet weet is dat de man die momenteel de naam Thadeus Dreyer draagt en tot de rang van generaal in Hitler-Duitsland is opgeklommen, helemaal niet zijn voormalige schaaktegenstander is. Deze laatste blijkt inderdaad aan het front te zijn omgekomen, waarna een priester zich in de chaotische nasleep van de oorlog diens papieren heeft toegeëigend. Mocht er nog enige twijfel over bestaan, bij Padilla is inderdaad niemand meer wie hij aanvankelijk leek te zijn.

Toch kan het allemaal nog veel ingewikkelder, zoals het vervolg ons leert. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakt Dreyer, nummer drie dus, betrokken bij het plan Amphitryon waarmee maarschalk Göring zogezegd - dit is zover ik weet geen historisch feit - een team van perfecte dubbelgangers voor de nazikopstukken beoogde op te leiden. (Amphitryon verwijst overigens andermaal naar de Griekse mythologie, want zo heette de onfortuinlijke echtgenoot wiens gedaante Zeus aannam om bij diens vrouw Alcmene Hercules te verwekken.) Uiteindelijk zal Padilla zelfs suggereren dat de man die in 1961 in Jeruzalem terechtstond op het proces-Eichmann, bijgewoond en verslaan door onder meer Harry Mulisch en Hannah Arendt, niet de gewetenloze organisator van de jodenvervolgingen was maar diens lookalike Franz Kretschmar, de zoon van Viktor...

Omdat Amphitryon in stilistisch opzicht vaak geforceerd en qua karaktertekening soms wat bordkartonnerig aandoet, moet Padilla het voornamelijk van zijn ingenieuze plot en narratieve gegoochel hebben; ook de vier vertellers van dienst profileren zich immers als meesterbedriegers en zijn voor geen cent te vertrouwen. Dankzij deze laatste, van scherpzinnigheid getuigende eigenschappen beklijft deze roman niet alleen, ze maken Amphitryon tot een duizelingwekkend spiegelpaleis. Padilla toont ons het fantasma van de ware of stabiele identiteit: de naam als een snijpunt van sociale relaties dat niet zozeer het individu toebehoort als wel hem of haar een plaats binnen een bepaalde geografie en geschiedenis toewijst; het lichaam dat aan verandering onderhevig is en geenszins authenticiteit waarborgt; het levensverhaal dat al dan niet bewust of gewild anders wordt verteld.

De arrestatie van Karadzic vertoont overigens ook wel wat gelijkenis met de zaak-Eichmann. Een jaar voor zijn proces werd Eichmann zoals bekend in Buenos Aires, waar hij in incognito leefde, door de Israëlische geheime dienst opgespoord en ontvoerd. Het vervelende is echter wel dat je, na het lezen van Amphitryon, je wel begint af te vragen wie nu eigenlijk voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag zal verschijnen...

Labels: ,

zaterdag 25 juli 2009

De heldenmoed nodig voor het vertellen

Maxine Hong Kingston, De krijgsheldin (Amsterdam: Elsevier Manteau, 1980).

Maxine Hong Kingston, ofwel haar alter ego en ik-verteller in haar eerste autobiografische roman De krijgsheldin, wordt als oudste dochter van Chinese immigranten in de VS, Californië, geboren. Hoewel beiden hoog opgeleid maar het Engels niet machtig moeten haar ouders doorgaans werkdagen van 14 uur kloppen in hun stoomhete wasserij, en dan nog kunnen ze het, ondanks de voortdurende hulp van hun talrijke kroost, maar ternauwernood rooien. Toch zetten ze koppig door met een onbreekbare werklust. Daarnaast tracht Maxines moeder Dappere Orchidee, die vroeger in Canton medicijnen heeft gestudeerd, haar kinderen de beginselen van de Chinese cultuur bij te brengen, dit in schril contrast met de stugge, zwijgzame vader. Lees verder.


Dankzij de 'praatverhalen' van Dappere Orchidee elke avond voor het slapengaan, waarin bijgeloof, mythe, legende en familiegeschiedenis naadloos in elkaar overvloeien, maakt de kleine Maxine dus geleidelijk aan kennis met het land dat haar familie indertijd voor de communisten is ontvlucht. Later op de Chinese school, die ze elke dag na afloop van de lessen op de Amerikaanse basisschool bezoekt, leert we bovendien ideogrammen lezen en schilderen. Langzamerhand groeit in haar het ontzag voor een verfijnde, glorieuze cultuur, gestoeld op duizenden jaren oude verteltradities en een onverzoenlijk arbeidsethos, evenredig met haar weerzin tegen het uitgesproken mysogiene karakter ervan. Wat ze met name resoluut afwijst is de wijd verspreide idee dat het baren en (op)voeden van meisjes als je reinste verspilling moet worden beschouwd.

Een kras voorbeeld van de ongeciviliseerde praktijken waaraan deze diepgewortelde vrouwonvriendelijkheid voornamelijk op het Chinese platteland mee ten grondslag ligt, verschaft ons het openingsverhaal van het boek "Vrouw zonder naam". Wanneer Maxine voor het eerst ongesteld is geworden en Dappere Orchidee haar dochter wil waarschuwen voor het gevaar van een ongewenste zwangerschap, dist ze het tragische relaas op over Maxines tante. Toen aan het licht kwam dat dit meisje, pas volwassen en nog ongetrouwd, het kind van een onbekende minnaar verwachtte, hadden de dorpelingen haar ogenblikkelijk verstoten, zodat haar familie zich wel genoopt zag haar ook dood te zwijgen. Ten einde raad had het arme schepsel zich ten slotte samen met haar baby in de waterput verdronken.

Deze droeve geschiedenis maakt kennelijk diepe indruk op de kleine Maxine. In het dromerige tweede deel "Witte tijgers" laat ze haar fantasie de vrije loop, hiermee in stilte de hoop uitsprekend op een milder lot dan haar onfortuinlijke tante. Ze ziet zichzelf namelijk als de legendarische onverschrokken krijgsheldin Fa Mu Lan, over wie Dappere Orchidee de meest adembenemende avonturen vertelt en die eeuwen geleden haar oude, verzwakte vader terzijde stond in diens rechtvaardige strijd tegen het despotische bewind van de keizer. Nadat ze hoog in de bergen vijftien jaar lang getraind is in de gevechts- en toverkunsten door een mysterieus, semi-goddelijk echtpaar, trekt Maxine/Fa Mu Lan aan het hoofd van haar almaar uitdijende troepenmacht op naar de hoofdstad en brengt onderweg in een tentenkamp haar kind ter wereld. De oorlog eenmaal in haar voordeel beslecht, keert ze terug naar haar dorp waar ze bedaard de moederlijke en echtelijke taken aanvaardt die op haar wachten. In tegenstelling tot de klassieke rollenpatronen echter is het, in deze uitgesponnen mijmering, zijzelf die bepaalt waar en wanneer ze zich aan het gezinsleven wil wijden en niet de verstikkende conventies.

Toch zouden we de gelaagdheid van het werk tekortdoen, indien we het louter over de subtiel gecamoufleerde, maar niettemin moeilijk te negeren feministische agenda van de roman hadden. Het duurt immers niet lang of Maxine, die vanwege haar iele stemmetje en beschadigde tongriem slechts heel moeizaam leerde spreken, verruilt het zwaard voor de pen. Had de heroïsche Fa Mu Lan nog zonder de geringste kik de ideogrammen die wraak symboliseren in haar rug gekerfd, nu voelt Maxine op haar beurt hoe het geschreven woord in haar binnenste woekert. Het kluwen verhalen dat zich in haar ophoopt en zowel het China uit de herinneringen van haar ouders als de Amerikaanse stad waar ze opgroeit omvat -in haar moeders perceptie de woonplaats van 'de blanke geesten' -, laat zich in zijn zoektocht naar een uitlaatklep niet langer indammen.

Met het onstuimige proza dat uit deze expressiedrang voortkwam en waarmee Hong Kingston internationale faam verwierf, heeft ze dan ook de traditie van het zogenaamde 'verhalen praten', die de Chinese vrouwen uit vroegere generaties - zoals Dappere Orchidee - in ere hielden, voor afsterven behoed, zij het dan door middel van het schrift. Zolang er verteld kan worden, blijft er ruimte voor zingeving die de traditie steeds weer vernieuwt naargelang de ervaringen en omstandigheden. Op die manier hoeven de Amerikaanse realiteit en het Chinese verleden die in Maxine samenkomen elkaar geenszins uit te sluiten, maar kunnen ze de aanzet vormen tot een toekomstige, hybride identiteit.

Labels: , , , ,

woensdag 22 juli 2009

Verlangen naar de verlaten 'stierenhuid'

BarcelonaJuan Goytisolo, De identiteit (Amsterdam: Meulenhoff: 1985).

Na lange tijd teruggekeerd uit zijn vrijwillige ballingschap in Parijs verkent de documentairemaker Álvaro Mendiola in 1963 Barcelona en omstreken, waar hij gedurende de woelige jaren dertig als zoon van een grootgrondbezitter is opgegroeid. Bladerend door oude fotoalbums en historische atlassen, bestofte brieven en andere documenten uit het familiearchief herlezend, tracht hij de voorgeschiedenis te reconstrueren van het aristocratische geslacht waaruit hij weliswaar is voortgekomen, maar met wiens kwezelachtige kleinburgerlijke moraal hij reeds op jonge leeftijd heeft pogen af te rekenen. Lees verder.

Deze genealogische speurtocht voert hem allereerst terug naar de suikerplantages rond de Cubaanse stad Cienfuegos, omdat daar ver in de negentiende eeuw de oorsprong van het met slavenarbeid vergaarde fortuin van zijn voorouders blijkt te liggen. Als gevolg van de afschaffing van de slavernij, de Cubaanse opstand tegen het Spaanse gezag en de oorlog met de Verenigde Staten waardoor het moederland in 1898 definitief zijn laatste kolonie verloor, heeft een tak van de familie het eiland verlaten om het riante bestaan in Catalonië voort te kunnen zetten. In de eerste decennia van de twintigste eeuw rommelt het echter vervaarlijk in Spanje, daar het de boot van de modernisering heeft gemist: de industrialisatie staat nog in haar kinderschoenen, het grondbezit en de machtsstructuren zijn nog feodaal georganiseerd, terwijl de conservatieve heersende klasse nauwelijks concessies wil doen ten gunste van de verpauperde land- en fabrieksarbeiders. Deze gespannen politieke situatie zal uiteindelijk in 1936 escaleren, uitmondend in het jeugdtrauma van Álvaro en al zijn generatiegenoten, de beruchte Spaanse Burgeroorlog. Bij een wegversperring valt Álvaro's vader in handen van de republikeinen en wordt later gefusilleerd, waarna de Mendiola's de wijk nemen naar Zuid-Frankrijk om er de 'bevrijding' door Franco met wie zij uiteraard sympathiseren, angstig af te wachten.

Nu is het een kwart eeuw later, 'el caudillo' zit stevig in het zadel, voornamelijk dankzij het wijdvertakte gemilitariseerde controleapparaat van de Guardia Civil, een uitgebreid netwerk van verklikkers, systematische repressie en censuur. Zoals zovele studenten zijn ook Álvaro en diens vrienden voorheen actief geweest in het verzet, waarvoor ze vaak een hoge prijs hebben moeten betalen: van marteling, gevangenisstraf tot jarenlang huisarrest. Vanuit Parijs heeft hij nadien samen met andere Spaanse ballingen en geëngageerde Franse intellectuelen subversieve acties op touw proberen te zetten, door middel van pamfletten of films de misstanden onder de dictatuur aan te klagen, maar al bij al heeft het bitter weinig resultaat opgeleverd.

Worstelend met dit beladen verleden moet Álvaro constateren dat hij niet meer weet wie hij is, omdat hij zich afgesneden voelt van iedere collectieve identiteit. Sedert lang vervreemd van de gegoede kringen, het bewind, de officiële versie van de geschiedenis en zijn moedertaal dient hij te achterhalen wat het thans nog kan betekenen Spanjaard te zijn. En desondanks blijft hij verknocht aan de 'stierenhuid' Spanje, zijn ruige landschappen en rijke cultuur, de wijnen, de poëzie, de traditionele visvangst, stierengevechten en talloze dialecten...

In hoeverre is wie je op volwassen leeftijd bent of wordt nog verbonden met je geboorteplaats en zijn historiek, het milieu waarin je bent grootgebracht, de taal die er gesproken werd, de plaatselijke gewoonten en gebruiken? Deze vraag houdt ook mij al een poosje bezig, maar het is zonder meer aan Juan Goytisolo of zijn alter ego Álvaro Mendiola te danken dat de actualiteit en relevantie ervan mij pertinenter toeschijnen dan ooit tevoren. Misschien evolueert het antwoord erop met jou mee en varieert het naargelang de omstandigheden. Toen ik een jaar lang in de Poolse stad Wroclaw verbleef, schreef de dromerige adolescent die ik toen nog was hierover:

"In Polen vond ik tevens de bevestiging van een vermoeden dat ik reeds lang in mijn binnenste dacht te bespeuren, namelijk dat ik mij niet kan identificeren met België of Vlaanderen; hoezeer deze plek mij ook dierbaar is omdat er zoveel mensen leven die mij na aan het hart liggen en ik de cultuur ervan het beste ken en begrijp, toch zitten onze vlaktes niet in mijn bloed. Ik zou op andere plaatsen kunnen wonen, hoewel ik steeds met veel genoegen naar Kortrijk zal terugkeren."


Momenteel komt dit me veel te voortvarend voor. Toch vermoed ik dat veel Vlaamse en Nederlandse jongeren iets gelijkaardigs zouden zeggen, zij het dan in minder hoogdravende frases wellicht... Indien er al bewust over de eigen afkomst en culturele identiteit wordt nagedacht - de macht der gewoonte belet dit immers al te vaak -, doet de meerderheid van hen nogal schamper over zijn omgeving, vooral over de saaiheid en bekrompenheid ervan. Met de exotische reisbestemmingen voor het uitkiezen - ongeacht of het nu om studeren in het buitenland, internationaal vrijwilligerswerk of gewoon vakantie gaat - benadrukt de generatie van na 1980 het liefst haar kosmopolitisme en meertaligheid, haar openheid ten aanzien van 'andere culturen' en het verlangen 'nieuwe mensen' te ontmoeten. Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat dit zogenaamde wereldburgerschap veelal een volslagen desinteresse voor de nationale geschiedenis, of voor de sociale en politieke context in eigen land moet camoufleren. Door jubelend de wereld te omarmen vergeet onze generatie wel eens acht te slaan op wat zich in haar onmiddellijke nabijheid afspeelt.

Nogmaals, ik steek de hand in eigen boezem, want ook ik stel me steeds geregelder de vraag: ken ik dat hele België en zijn cultuur wel zo goed als ik destijds in Polen placht te beweren? Directe aanleiding voor dit zelfonderzoek, als je het zo mag noemen, was behalve Goytisolo's roman ongetwijfeld de diepe politieke malaise waarin België sedert de verkiezingen van juni 2007 almaar verder is weggezakt. Alleen het geloof in de fictie dat een land per slot van rekening is, kan het voortbestaan ervan garanderen. Maar hoe is het eigenlijk met ons geloof in de fictie België gesteld? Heeft dit land nog een toekomst in de hoofden, het handelen, spreken en schrijven van deze onverschillig ogende tieners en twintigers? Heeft dit land wat ons betreft zijn bestaansrecht dan verloren? Of willen we juist dat het behouden blijft en geleidelijk aan hervormd wordt? En wie is die hele Belg, Waal of Vlaming nu helemaal? Stuk voor stuk ingewikkelde kwesties die ik op mijn manier, met behulp van de literatuur dus, graag zou willen belichten en verder uitkienen. Ik stem immers volledig in met de uitspraak van de Amerikaanse dichter Wallace Stevens dat het de maatschappelijke functie is van de poëzie - ik zou zeggen, in ruimere zin, van literatuur - "to help people to live their lives". De literatuur lost geen problemen op, wel helpt ze ons deze genuanceerder te benaderen. In weerwil van de hemelsbrede historische verschillen tussen Goytisolo's Spanje en het huidige democratische België kan zijn fascinerende, gelaagde roman derhalve ook ons nog leren de werkelijke pijnpunten binnen onze eigen context te ontwaren.

Staande op een uitkijkpost hoog boven Barcelona tussen groepjes Duitse, Franse en Italiaanse toeristen, overziet Álvaro in de laatste pagina’s van het boek met een vaste muntkijker de stad en het ommeland. Terwijl de vakantiegangers halve waarheden op de mouw gespeld krijgen door de staatsgidsen, zich verbazen over het voor hen onbeschreven panorama en fluisterend de billen van een langs drentelend meisje taxeren, vult het decor onder zijn blik zich met betekenis en herinnering. Het is misschien de enige positie die de betrokken kunstenaar of cultuurcriticus kan innemen, evaluerend vertellen wat zij of zij waarneemt en het binnen een historisch kader plaatsen zonder evenwel één moment te geloven zelf louter toeschouwer te kunnen zijn. Niettemin kan dit relaas een alternatief bieden, opklinkend tussen de retoriek van de gezagsdragers en het gekakel van de toevallige passanten.

Labels: , , ,

maandag 20 juli 2009

De maskerade van het geslacht

Mircea Cartarescu, Travestie (Amsterdam: Meulenhoff, 1996).

"Ik zal bladzijde na bladzijde bekladden, ik zal de vellen papier gebruiken als gaas dat niet verzadigd raakt met inkt, maar met de ettering van mijn aloude wond. Misschien dat uiteindelijk alles erin zal worden opgenomen, en dat naarmate deze meer pus, meer wondvocht zullen bevatten, ikzelf van gif zal worden ontdaan", aldus luidt de beginselverklaring waarmee Victor, een 34-jarige auteur, zich voorneemt 'de aloude wond' uit zijn verleden al schrijvend bloot te leggen. Lees verder. Hierdoor beleeft de schrijver als het ware opnieuw zijn puberteit, de levensfase waarin hij zoals ieder ander de hem toegevallen identiteit voor het eerst bewust in vraag heeft gesteld. Het citaat markeert de aanvang van een nietsontziende reflectie op de sociale grondstoffen waaruit ons 'ik' is opgebouwd; het ganse kluwen van taal, gebruiken, rituelen en culturele betekenissen waar iemand mee is opgegroeid en zich is gaan identificeren, blijkt plots niet langer onaantastbaar en verre van onschuldig. Maar wat probeert onze identiteit, dit masker dat we nooit meer kunnen afzetten omdat het onze persoonlijkheid uitmaakt, dan aan het oog te onttrekken?

In Victors geval lijkt een dergelijke Freudiaanse zelfanalyse allerminst een overbodige luxe. Er gaat immers geen dag voorbij zonder dat hij gekweld wordt door duistere herinneringen en angstaanvallen. De naam die daarbij steeds weer boven komt drijven is die van Lulu, maar om deze goed te kunnen plaatsen moet de dertiger 17 jaar terug in de tijd. Dus terug naar het moment in de jaren zeventig dat hij half zo oud was als nu en de typische eenzaamheid van de kunstenaar in wording, met de afkeer van frivole, bronstige en met drugs experimenterende leeftijdgenoten van dien, loodzwaar op hem drukte. In die periode was Lulu namelijk een van die stoere klasgenoten voor wie de fijnbesnaarde, met poëzie dwepende Victor slechts minachting koesterde.

Met name de gebeurtenissen tijdens een zomerkamp in Budila, een klein stadje in het bergachtige Transsylvanië, eisen Victors retrospectieve aandacht op. Op de bonte avond van dat kamp was hij volkomen van slag geraakt toen Lulu, die zich met het oog op het gemaskerde bal als vrouw had vermomd,
hem plagerig trachtte te verleiden. Wat was het precies in dat fel opgemaakte gezicht, die watten borsten en die opzichtige kleding dat hem kort nadien in niet minder dan een neurose zou storten?

Mentaal heen-en-weer pendelend tussen het heden en verleden, tussen de diep in de bossen verscholen villa waar hij overdag schrijft en 's nachts de angstdromen komen waarin zijn inmiddels overleden kleine zusje hem achternazit door eindeloze trappenhuizen, en die vervlogen adolescentie vol zelfingenomen visioenen over een ascetisch, goddelijk geïnspireerd schrijverschap en ambivalente gevoelens jegens de eigen onstuimig opspelende seksualiteit, poogt Victor dit mysterie geleidelijk aan op te helderen. Vrij snel rijpt bij hem het besef dat Lulu niet de ware oorzaak van de crisis kan zijn geweest, maar louter het symptoom - of de 'hiëroglief' zoals hij het zelf noemt - waardoor een onderhuids sluimerende ziektehaard, de slecht geheelde "aloude wond" dus, zich plots in alle hevigheid heeft gemanifesteerd. Omdat zijn pen aanhoudend rond deze pijnlijke plek heen blijft cirkelen, als een scalpel het geïnfecteerde vlees blijft wegsnijden, duurt het echter niet lang of nog meer hiërogliefen treden aan de oppervlakte. Dit zien we bijvoorbeeld wanneer het de hallucinerende Victor voorkomt alsof het beeld van een waternimf, dat de vijver voor het landhuis in Budila versiert, eensklaps een mannelijk lid ontbloot.

Deze twee geslachtsverwisselingen van Lulu en de nimf brengen ons op het intertekstuele spoor van Ovidius. In Boek IV (v. 290-380) van zijn Metamorfosen wordt namelijk de tegenwoordig minder bekende mythe verteld van Hermaphroditus, een zoon van Hermes en Aphrodite:

"Zijn vader én zijn moeder waren in zijn uiterlijk heel goed herkenbaar; ook zijn naam ontving hij van hen beiden: Hermaphroditus. Toen hij zestien jaar was, trok hij weg uit 't bergland van zijn jeugd, hij liet zijn 'voedster' Ida achter om onbekende streken op te zoeken, onbekende stromen te zien; zijn reislust maakte zware tochten licht. Zo kwam hij ook in Lycië; toen bij de Cariërs, buren van Lycië, en daar ontdekte hij een vijver met tot op diepe bodem helder water."


Opmerkelijk is al meteen het feit dat de 16-jarige Hermaphroditus een hele poos rondreist alvorens in Carië - een landstreek in het huidige Zuid-West-Turkije waar ook Herodotos geboren werd - te belanden, zodat hij waarschijnlijk dezelfde leeftijd als Victor heeft wanneer hij bij deze mooie waterplas arriveert. Hoe het ook zij, nog veel belangrijker in het (schemer)licht van Travestie is de daaropvolgende ontmoeting van Hermaphroditus met de waternimf Almacis die hier blijkbaar woont. Brandend van begeerte bij het zien van deze schone jongeling smeekt Almacis hem aanvankelijk nog het huwelijksbed met haar te delen, maar wanneer hij weigert schrikt ze er niet voor terug hem tijdens een zwempartij te overweldigen. Worstelend in het water bidt zij de goden dat ze nooit meer van elkaar gescheiden zullen worden, waarna de tekst vervolgt:

"Haar wens vond weerklank bij de goden, want zij groeiden samen en werden één persoon uit twee, kregen ook één gezicht. Als iemand takken op elkaar ent tussen boomschors, zie je hoe ze zich samenvoegen, zich gelijk ontwikkelen - zo ook bij hen: aaneengeklit in stevige omhelzing zijn zij geen tweetal, maar een dubbel wezen dat noch vrouw noch man kan heten; het lijkt allebei en geen van beide."


Alle mannen die daar sindsdien een bad hebben genomen, zo besluit het verhaal, zijn er als 'halve man' uitgekomen aangezien dit water voortaan 'de verdorven wonderkracht' bezat te verwijven.

Langzaam maar zeker rijgen de hiërogliefen zich aaneen tot een ontcijferbare boodschap. Zowel de travestiet Lulu als zijn uit Ovidius puttende fantasie over de androgyne nimf wijzen Victor op een verdrongen geheim dat diep in zijn eigen psyche verborgen ligt. In de laatste pagina's van de roman wordt inderdaad de indruk bevestigd - hoewel nooit met zoveel woorden gezegd - dat Victor zelf als kind een operatie heeft moeten ondergaan waarbij aangeboren 'vrouwelijke' lichaamskenmerken zijn gecorrigeerd, opdat hij volledig als 'man' zou kunnen opgroeien. Zodoende blijkt ook dat het dood gewaande kleine zusje niemand anders was dan Victors vroegere ik, nog een hiëroglief dus.

Kortom, Mircea Cartarescu roert als het ware in het walmende, moerassige onderbewustzijn van een moderne cultuur waar nog steeds een scherp afgebakende man-vrouwdichotomie en het bijbehorende heteroseksuele paradigma overheersen, zodat lichamen en verlangens die niet aan dit model beantwoorden resoluut als 'afwijkend' of 'onnatuurlijk' worden gebrandmerkt. Het westerse tekensysteem, zegt de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan, heeft slechts twee identieke toegangsdeuren voorzien van bordjes, waar op het ene 'dames' en op het andere 'heren' te lezen staat. Elk individu moet door een van deze deuren naar binnen, of het dat nu wil of niet.

Dit alles maakt Travestie tot, zoals Marc Reugebrink het heel treffend omschreef, "een boek waarin elke ironie ontbreekt, waarin alles bloedige ernst is, waarin schrijven bloeden is, de tekst met recht een tekstlichaam, een vlezige woordenbrij of talige vlezigheid is, waarin over de kloof tussen ik en wereld heen gehaakt wordt naar - ja het lijkt wel of er gezocht wordt naar Verlossing?" Ja, de verlossing van een getormenteerd, gemaltraiteerd lichaam dat zich uitstort en, niet zonder masochistische neigingen, verlustigt in het spiegelpaleis van een orgiastische schriftuur. Hoewel ik het in principe met Reugebrink eens ben dat Cartarescu's rijkelijke, barokke proza een flinke dosis zelfrelativering kan gebruiken, betwijfel ik derhalve of het de zeggingskracht van dit boek ten goede zou zijn gekomen. Zeker, deze tekst bulkt van neoromantische pathetiek en schreeuwerig egocentrisme, maar is dit juist niet inherent aan het 'drama' dat de puberteit voor velen ensceneert? Is dat niet het moment waarop talloze jongeren, wanneer ze hun travestietenoutfit in de spiegel ontwaren, voor het laatst wanhopig omkijken naar een van Lacans deuren, die evenwel reeds lang achter hen in het slot is gevallen?

Labels: , ,

zondag 12 juli 2009

Versluierde ikken

SchijngestalteJohn Banville, Schijngestalte (Amsterdam: Atlas, 2005).

De originele Engelse titel Shroud verwijst naar de wereldberoemde lijkwade die in de Noord-Italiaanse stad Turijn wordt bewaard. Zoals bekend geloven miljoenen christenen dat dit de doek is waarin het met bloed besmeurde lichaam van Christus werd gewikkeld en begraven. Over de ouderdom, laat staan over de authenticiteit, van het relikwie raken wetenschappers het nog steeds niet eens. Lees verder.

De pelgrims laten zich evenwel door al dat dateringsgeharrewar niet van de wijs brengen en blijven met bussen tegelijk toestromen om in de kathedraal, al was het maar een fractie van een seconde, de aanbeden wade in een zwak verlichte vitrinekast te mogen bewonderen. Dankzij hun onwrikbare geloof aan de echtheid ervan kan deze lap stof het statuut van een heilig reliek krijgen. Maar wat als het plots een vervalsing blijkt te zijn? Welke gevolgen zou dit hebben voor hun beeld van de man wiens contouren ze, in hun aldus doorprikte naïviteit, op het textiel meenden te kunnen ontwaren?

Maskers en vermommingen, zij vormen de spil waarrond Banvilles proza draait. Je denkt iemand te kennen, te weten wie hij is of waar hij vandaan komt, maar dan helpt een bepaalde gebeurtenis of opmerking je eensklaps uit de droom. Het dringt dan in alle onthutsende helderheid tot je door dat die persoon helemaal niet degene is voor wie je hem al die tijd hebt gehouden, dat hij je koelbloedig heeft voorgelogen, dat je er nooit ofte nimmer in zult slagen het verleden van die ander volledig te ontraadselen.

De ik-verteller uit Schijngestalte, de gevierde literatuurwetenschapper Axel Vander, wordt vanwege zijn briljante studies op handen gedragen in academische kringen. Niets kan de professor ogenschijnlijk nog van zijn voetstuk stoten, wanneer hij - inmiddels een heer op leeftijd - een brief van een mysterieuze Ierse studente, Cass Cleave genaamd, ontvangt waarin ze hem te verstaan geeft dat het spel uit is en ze zijn geheim ontdekt heeft. Angstig om publiekelijk vernederd te worden maar tegelijk geïntrigeerd door deze voortvarende onderzoekster en de vraag hoeveel ze werkelijk van zijn voorgeschiedenis afweet, nodigt Vander haar uit naar Turijn te komen waar hij een congres gaat bijwonen.

Zodra Axel Vander het meisje ontmoet begrijpt hij echter al gauw dat ze nooit een serieuze bedreiging kan vormen, aangezien ze geestesziek is en bijgevolg niet op geloofwaardigheid zou kunnen bogen mocht ze haar bevindingen wereldkundig maken. Niettemin voelt hij zich tot dit soms meelijwekkende schepsel aangetrokken, een halve eeuw jonger dan hijzelf. Wanneer een beroerte hem geveld heeft en wekenlang het bed doet houden, verzorgt zijn 'biografe' - want zo noemt hij haar schamper - hem niet alleen, ze ontpopt zich tevens tot de katalysator die hem dwingt zijn confuse herinneringen te ordenen en heel even uit zijn rol te stappen. In lange monologen van Vander die alterneren met relatief korte passages waarin een anonieme verteller hoofdzakelijk op Cass' handelingen en gedachten focust, wordt de ware, zorgvuldig versluierde identiteit van de gerenommeerde criticus mondjesmaat onthuld.

Op dit punt pas blijkt het relaas van Vander losjes te zijn gebaseerd op de postume ontering van Paul de Man (1919-1983): de uit Antwerpen afkomstige literatuurwetenschapper en leerling van Jacques Derrida die tijdens de jaren zeventig als toonaangevend gold aan de universiteit van Yale, maar van wie kort na zijn dood artikelen met een antisemitische strekking werden teruggevonden die hij onder de Duitse bezetting had gepleegd voor de collaborerende Belgische krant Le Soir. In Banvilles interpretatie is het dramatische gehalte niettemin nog aanzienlijk verhoogd, want behalve voor foute blaadjes geschreven heeft Vander, overigens ook uit de Scheldestad afkomstig, bovendien na de oorlog de naam aangenomen van een vriend die in onfrisse omstandigheden is omgekomen. Zodoende kan het niet anders of zijn hele persoonlijkheid berust, meer nog dan in het geval van De Man, op mythe en (zelf)bedrog. Het volgende citaat zegt genoeg: "Er zit geen enkel eerlijk bot in de teksten waar ik lichaam aan heb gegeven. Ik heb een stem opgebouwd zoals ik ooit een reputatie heb opgebouwd, uit van anderen gegapt materiaal. Het accent dat u hoort is niet het mijne, want ik heb geen accent. Ik geloof geen woord uit mijn eigen mond."

Sinds Nietzsche kunnen we niet langer loochenen dat waarheden in wezen ficties zijn waarvan het illusoire karakter ons ontgaat. Ook datgene wat we ons zelf noemen, ons eigenste onvervreemdbare ego, hangt zodoende van de mentale constructies aaneen. Net als de Lijkwade staat of valt ieders identiteit met het geloof dat er aan wordt gehecht. Onze persoonlijkheid bestaat uit een kluwen verhalen die indien nodig, en op voorwaarde dat de lezers ervan gewillig meewerken en zich laten bedotten, radicaal herschreven kunnen worden. "Ik werd een virtuoos in het liegen en liet mijn instrument zo zoet zingen dat niemand aan de waarachtigheid van het lied twijfelde. Wat een versieringen wist ik te spelen, wat een cadensen!" Vander blijkt een 'vendeur', een gewiekste zoetgevooisde verkoper die een bijeengesprokkelde ratjetoe voor een oorspronkelijke individualiteit vermag te laten doorgaan.

Zijn schatplichtigheid aan de filosoof met de hamer stopt Banville overigens niet onder stoelen of banken. In het boek regent het referenties aan diens leven en gedachtegoed. Turijn was ook het decor van Nietzsches laatste strijd: meegesleurd in de draaikolk van megalomane zelfverering zakte de denker er weg in de waanzin. Zoals de hamer zich uiteindelijk tegen zijn gebruiker heeft gekeerd, blijkt het iconoclasme verscholen in Cass Cleaves’ naam dat Vanders Schijngestalte doormidden beloofde te klieven veeleer haar eigen ineenstorting te voorspellen. Wie het fictieve karakter van de waarheid te dicht nadert loopt immers groot gevaar dit inzicht niet meer na te kunnen vertellen. De taal, die altijd de 'vendeurs' zal toebehoren, breekt daarbij aan gruzelementen, barst open, scheurt en laat de leegte onder de Shroud zien.

Labels: , ,