zondag 15 november 2009

The self-made man

Een huis in Great Neck (New York), dat model stond voor West Egg, in 1926Als er één personage uit de wereldliteratuur de American dream belichaamt, dan moet dat zonder twijfel 'the great Gatsby' zijn uit F. Scott Fitzgeralds gelijknamige roman (1925). Door tal van toevalligheden maar ook door rotklusjes voor de juiste mensen op te knappen, heeft deze arme sloeber uit een achterlijk gehucht op de oevers van Lake Superior zich weten op te werken tot een vermogende zakenman die in zijn majestueuze villa, in West Egg, wekelijks partijen geeft voor de New Yorkse high society. Op dat moment heeft James Gatz reeds lang zijn naam veranderd in het veel joyeuzere Jay Gatsby, zich een nieuwe biografie aangemeten en zijn ouders doodverklaard:

His parents were shiftless and unsuccessful farm people -—his imagination had never really accepted them as his parents at all. The truth was that Jay Gatsby of West Egg, Long Island, sprang from his Platonic conception of himself. He was a son of God – a phrase which, if it means anything, means just that—and he must be about His Father's business, the service of a vast, vulgar, and meretricious beauty.
So he invented just the sort of Jay Gatsby that a seventeen-year-old boy would be likely to invent, and to this conception he was faithful to the end.
Wat Gatsby evenwel eerder sympathiek dan koel berekenend en zelfs een tikkeltje tragisch maakt, is dat hijzelf heilig gelooft in deze creatie. Wanneer de verteller van dienst en Gastby's buurman, Nick Carraway, erachter komt dat zijn vriend zoveel glitter en succes tentoonspreidt om zijn verloren jeugdliefde Daisy terug te winnen, probeert deze hem nog wakker te schudden:

“I wouldn’t ask too much of her,” I ventured. “You can’t repeat the past.”
“Can’t repeat the past?” he cried incredulously. “Why of course you can!”
He looked around him wildly, as if the past were lurking here in the shadow of his house, just out of reach of his hand.
Gek genoeg vormt het huis in chateau-stijl ook zijn verleden, of tenminste, zijn gewilde verleden en zelfbeeld. Hij heeft zijn zelf als het ware veruitwendigd zodat, wanneer de droom ten langen leste uiteenspat, in zijn binnenste nog slechts een onleefbare leegte achterblijft...

Labels: , ,

zaterdag 25 juli 2009

De heldenmoed nodig voor het vertellen

Maxine Hong Kingston, De krijgsheldin (Amsterdam: Elsevier Manteau, 1980).

Maxine Hong Kingston, ofwel haar alter ego en ik-verteller in haar eerste autobiografische roman De krijgsheldin, wordt als oudste dochter van Chinese immigranten in de VS, Californië, geboren. Hoewel beiden hoog opgeleid maar het Engels niet machtig moeten haar ouders doorgaans werkdagen van 14 uur kloppen in hun stoomhete wasserij, en dan nog kunnen ze het, ondanks de voortdurende hulp van hun talrijke kroost, maar ternauwernood rooien. Toch zetten ze koppig door met een onbreekbare werklust. Daarnaast tracht Maxines moeder Dappere Orchidee, die vroeger in Canton medicijnen heeft gestudeerd, haar kinderen de beginselen van de Chinese cultuur bij te brengen, dit in schril contrast met de stugge, zwijgzame vader. Lees verder.


Dankzij de 'praatverhalen' van Dappere Orchidee elke avond voor het slapengaan, waarin bijgeloof, mythe, legende en familiegeschiedenis naadloos in elkaar overvloeien, maakt de kleine Maxine dus geleidelijk aan kennis met het land dat haar familie indertijd voor de communisten is ontvlucht. Later op de Chinese school, die ze elke dag na afloop van de lessen op de Amerikaanse basisschool bezoekt, leert we bovendien ideogrammen lezen en schilderen. Langzamerhand groeit in haar het ontzag voor een verfijnde, glorieuze cultuur, gestoeld op duizenden jaren oude verteltradities en een onverzoenlijk arbeidsethos, evenredig met haar weerzin tegen het uitgesproken mysogiene karakter ervan. Wat ze met name resoluut afwijst is de wijd verspreide idee dat het baren en (op)voeden van meisjes als je reinste verspilling moet worden beschouwd.

Een kras voorbeeld van de ongeciviliseerde praktijken waaraan deze diepgewortelde vrouwonvriendelijkheid voornamelijk op het Chinese platteland mee ten grondslag ligt, verschaft ons het openingsverhaal van het boek "Vrouw zonder naam". Wanneer Maxine voor het eerst ongesteld is geworden en Dappere Orchidee haar dochter wil waarschuwen voor het gevaar van een ongewenste zwangerschap, dist ze het tragische relaas op over Maxines tante. Toen aan het licht kwam dat dit meisje, pas volwassen en nog ongetrouwd, het kind van een onbekende minnaar verwachtte, hadden de dorpelingen haar ogenblikkelijk verstoten, zodat haar familie zich wel genoopt zag haar ook dood te zwijgen. Ten einde raad had het arme schepsel zich ten slotte samen met haar baby in de waterput verdronken.

Deze droeve geschiedenis maakt kennelijk diepe indruk op de kleine Maxine. In het dromerige tweede deel "Witte tijgers" laat ze haar fantasie de vrije loop, hiermee in stilte de hoop uitsprekend op een milder lot dan haar onfortuinlijke tante. Ze ziet zichzelf namelijk als de legendarische onverschrokken krijgsheldin Fa Mu Lan, over wie Dappere Orchidee de meest adembenemende avonturen vertelt en die eeuwen geleden haar oude, verzwakte vader terzijde stond in diens rechtvaardige strijd tegen het despotische bewind van de keizer. Nadat ze hoog in de bergen vijftien jaar lang getraind is in de gevechts- en toverkunsten door een mysterieus, semi-goddelijk echtpaar, trekt Maxine/Fa Mu Lan aan het hoofd van haar almaar uitdijende troepenmacht op naar de hoofdstad en brengt onderweg in een tentenkamp haar kind ter wereld. De oorlog eenmaal in haar voordeel beslecht, keert ze terug naar haar dorp waar ze bedaard de moederlijke en echtelijke taken aanvaardt die op haar wachten. In tegenstelling tot de klassieke rollenpatronen echter is het, in deze uitgesponnen mijmering, zijzelf die bepaalt waar en wanneer ze zich aan het gezinsleven wil wijden en niet de verstikkende conventies.

Toch zouden we de gelaagdheid van het werk tekortdoen, indien we het louter over de subtiel gecamoufleerde, maar niettemin moeilijk te negeren feministische agenda van de roman hadden. Het duurt immers niet lang of Maxine, die vanwege haar iele stemmetje en beschadigde tongriem slechts heel moeizaam leerde spreken, verruilt het zwaard voor de pen. Had de heroïsche Fa Mu Lan nog zonder de geringste kik de ideogrammen die wraak symboliseren in haar rug gekerfd, nu voelt Maxine op haar beurt hoe het geschreven woord in haar binnenste woekert. Het kluwen verhalen dat zich in haar ophoopt en zowel het China uit de herinneringen van haar ouders als de Amerikaanse stad waar ze opgroeit omvat -in haar moeders perceptie de woonplaats van 'de blanke geesten' -, laat zich in zijn zoektocht naar een uitlaatklep niet langer indammen.

Met het onstuimige proza dat uit deze expressiedrang voortkwam en waarmee Hong Kingston internationale faam verwierf, heeft ze dan ook de traditie van het zogenaamde 'verhalen praten', die de Chinese vrouwen uit vroegere generaties - zoals Dappere Orchidee - in ere hielden, voor afsterven behoed, zij het dan door middel van het schrift. Zolang er verteld kan worden, blijft er ruimte voor zingeving die de traditie steeds weer vernieuwt naargelang de ervaringen en omstandigheden. Op die manier hoeven de Amerikaanse realiteit en het Chinese verleden die in Maxine samenkomen elkaar geenszins uit te sluiten, maar kunnen ze de aanzet vormen tot een toekomstige, hybride identiteit.

Labels: , , , ,