dinsdag 24 november 2009

Kijken over sociale grenzen heen

Als er iemand ons idee van de moderne stad heeft bepaald, dan is het baron Haussmann wel die medio negentiende eeuw Parijs drastisch renoveerde. De sterk verouderde infrastructuur met zijn nauwe ongeplaveide steegjes, rondslingerend vuil en uitdijende sloppenwijken was ook dringend toe aan een schoonmaakbeurt om de toevloed aan gelukszoekers van het platteland en goederen nog enigszins te kunnen bolwerken.

Straten werden verhard en van trottoirs voorzien; men legde rioleringen aan en er verschenen vuilnisbakken in het straatbeeld; straten kregen voor het eerst een vaste naam en huizen een nummer, zodat de woonplaats van iedere burger voortaan centraal geregistreerd kon worden. Haussmanns beroemdste innovatie waren evenwel de brede boulevards die de hele stad doorsneden, verloederde buurten openbraken en een snellere circulatie van mensen en verkeer garandeerden. De economische activiteit nam hierdoor nog toe: winkeltjes, voorlopers van onze warenhuizen, restaurants en kroegen vestigden zich langs deze grote verkeersassen om zoveel klanten aan te trekken.

Deze grootschalige facelift van de Franse hoofdstad bracht echter ook een nieuw soort sociale conflicten teweeg. Dit blijkt onder meer uit het kortverhaal 'Les yeux des pauvres' uit Baudelaires Le spleen de Paris (1869). Een man vertelt hoe hij samen met zijn geliefde op de hoek van een pas voltooide boulevard een al even gloednieuw café had uitgezocht, met een interieur om bij weg te dromen, toen dit romantische onderonsje plots werd verstoord door een armetierige vader en zijn twee kleine kinderen die hen vanaf de straat stonden aan te gapen:

"Les yeux du père disaient: 'Que c'est beau! que c'est beau! on dirait que tout l'or du pauvre monde est venu se porter sur ces murs.' - Les yeux du petit garçon: 'Que c'est beau! que c'est beau! mais c'est une maison où peuvent seuls entrer les gens qui ne sont pas comme nous.' - Quant aux yeux du plus petit, ils étaient trop fascinés pour exprimer autre chose qu'une joie stupide et profonde.

Les chansonniers disent que le plaisir rend l'âme bonne et amollit le coeur. La chanson avait raison ce soir-là, relativement à moi. Non seulement j'étais attendri par cette famille d'yeux, mais je me sentais un peu honteux de nos verres et de nos carafes, plus grands que notre soif. Je tournais mes regards vers les vôtres, cher amour, pour y lire ma pensée; je plongeais dans vos yeux si beaux et si bizarrement doux, dans vos yeux verts, habités par le Caprice et inspirés par la Lune, quand vous me dites: 'Ces gens-là me sont insupportables avec leurs yeux ouverts comme des portes cochères! Ne pourriez-vous pas prier le maître du café de les éloigner d'ici?'"
De verregaande stadsvernieuwing heeft ervoor gezorgd dat de armere buitenwijken thans ook in directe verbinding met het centrum staan. Waren minder bemiddelde lieden voorheen gedwongen in hun afgesloten milieu te blijven, voortaan spelen confrontaties als deze tussen mensen uit verschillende sociale lagen zich dagelijks af in de publieke ruimte van winkelstraten, pleinen en cafés. Fysiek of verbaal geweld zijn hier niet aan de orde, maar het kruisen der blikken creëert een zinderend spanningsveld: de afgunst van de vader, de bewondering van de kinderen, de schaamte van de verteller en de wrevel van zijn beminde. Arm en rijk komen zodoende oog in oog te staan.

Labels: , ,

vrijdag 25 september 2009

Draaien om de vertel-as

J.M.G. Le Clézio, Omwentelingen (Breda: De Geus, 2004).

omwenteling de (v.)

1 draaiing van een voorwerp om zijn as

In het post-Einsteinuniversum bestaat geen enkelvoudige kosmische tijd, maar is elk lichaam dat door een cyclus gaat een klok die zijn eigen tijd creëert. Het statuut van klok komt bijgevolg behalve onze planeet, ook iedere plant, dier of mens toe.

Jean Marro leidt het jachtige globetrottersbestaan van een adolescent in de tweede helft van de twintigste eeuw. Opgegroeid in Nice vertrekt hij naar Londen om medicijnen te studeren, zoekt vervolgens het avontuur in Mexico Stad, keert terug naar Frankrijk, naar zijn geboortestad, huwt zijn Algerijnse vrouw Mariam later in Parijs. Lees verder.

De blinde Cathérine zit eenzaam in haar bouwvallige flatje in Nice, thans bejaard, dromend over het landgoed Rozelis op Mauritius. Op dat eiland in de Indische Oceaan heeft ze haar kindertijd doorgebracht, totdat het gezin in 1910 hun eigendom vanwege schulden moest verlaten. Sedert 1918 woont ze, sterk verarmd, in Frankrijk en koestert er de herinnering aan haar verloren paradijs. Nu wacht ze iedere middag op haar neefs klopje op de deur, haar vingers die op de tast Jeans gezicht herkennen, alle verhalen over vroeger die ze hem daarna vertelt.

Zoals honderdduizenden andere boerenzoons trekt de Breton Jean Eudes Marro in 1794 vrijwillig ten strijde voor de Revolutie, behaalt samen met hen de overwinning op de Pruisen bij Valmy, maar neemt ten slotte ontslag uit onvrede met de plunderingen van boerderijen ter bevoorrading van het leger. Terug in Bretagne krijgt hij wegens zijn verleden als sansculotte evenwel af te rekenen met het wantrouwen
van zijn overwegend katholieke dorpsgenoten, zodat hij met zijn jonge vrouw Marie-Anne naar Ile de France - de oude naam van Mauritius - besluit te emigreren om er als kolonisten de revolutionaire idealen in praktijk te brengen. Wanneer ze aan boord van de Rozelis de haven van Le Havre uitvaren voor een maandenlange gevaarlijke zeereis beseffen ze dat ze nu voor het laatst in hun leven de Franse rotskusten zien.

Kiambé "dochter van de krijger Askari" is uit Madagaskar als gevangene weggevoerd naar Ile de France waar ze, een van de weinigen die de overtocht in erbarmelijke omstandigheden hebben overleefd, in de hoofdstad Port-Louis slavenarbeid moet verrichten. De hoop op bevrijding gloort echter voor Kiambé, wanneer onder leiding van de legendarische Ratsitatane in 1822 naar het lichtend voorbeeld van Saint-Domingue een slavenopstand uitbreekt. Zelfs nadat het oproer is neergeslagen en de leiders publiekelijk zijn onthoofd om eventuele navolgers af te schrikken, voelt Kiambé zich opnieuw verbonden met haar geboortegrond door Ratsitatanes kind in haar buik. Weldra zal haar man terugkeren, weet ze, en zal hij hen beiden meenemen "op het grote schip naar het grote land."

2 algehele verandering, ommekeer in de staatskundige en/of maatschappelijke toestanden in een land ten gevolge van de actie van hen die aan die toestanden onderworpen waren en die een nieuwe regering invoeren
Synoniem: revolutie

Wat bijna al deze levens met elkaar gemeen hebben is dat de loop ervan bepaald wordt door het revolutionaire geweld van de jongste eeuwen. Voor Jean Eudes en Kiambé zijn dat de bloedige naweeën van 1789. Het geloof in liberté, égalité, fraternité is samen met tienduizenden 'tegenstanders van de Republiek' onder Robespierres guillotine onthoofd. De slavernij die door de Nationale Conventie was afgeschaft omdat deze praktijk niet langer strookte met de gloednieuwe Verklaring van de Rechten van de Mens, heeft Napoleon weer ingevoerd in de overzeese kolonies.

150 jaar later sneuvelt Jeans beste vriend in de Algerijnse bevrijdingsoorlog, terwijl zijn toekomstige vrouw Mariam op een haar na door een aanstormende Franse tank vermorzeld wordt in de straten van Algiers. Later zijn ze getuige van de studentenprotesten, Mariam in Parijs in mei 1968, Jean van het bloedbad van Tlatelolco in Mexico Stad, wanneer het leger op 2 oktober het vuur opent op de demonstranten en er honderden doden achterblijven.

3 algehele verandering in de toestand van iets, in een staat van zaken

Het is nog maar de vraag of al deze politieke omwentelingen ooit daadwerkelijk enige vooruitgang hebben bewerkstelligd. Zoals Walter Benjamins "engel van de geschiedenis" moet constateren: "Hij heeft het gelaat naar het verleden toegekeerd. Waar voor ons een aaneenschakeling van gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één grote catastrofe die onafgebroken puinhoop op puinhoop stapelt en ze hem voor de voeten smijt." En desalniettemin blijven de verwachtingen hoog gespannen opdat de collectieve wil er ditmaal wel in zal slagen de richting van de gebeurtenissen te wijzigen.

Echter, aangenomen dat een revolutie wezenlijk ten doel heeft een verstoord evenwicht te herstellen, de ongelijkheid ongedaan te maken, dan lijkt deze pas echt vorm te krijgen in de omarming van twee geliefden. Alleen in de omhelzing van Kiambé en Ratsitatane, van Jean Eudes en Marie-Anne, van Jean en Mariam, schittert even het transparante moment van de éénwording, de balans, de stilstand, de ware ommekeer.

revolutie de (v.)

1 (astronomie) jaarlijkse omwenteling van de aarde om de zon

Naast een subjectieve tijd is er ook de publieke tijd, waardoor het op miljoenen horloges binnen eenzelfde tijdzone ongeveer even laat kan zijn en evenveel kalenders dezelfde datum aangeven. Aangezien deze 'lokale' tijdrekeningen - nu met de enorme omvang van een meridiaan, vroeger veeleer samenvallend met een rijk, cultuur of religie - bij benadering natuurlijke cycli volgen, meestal die van de zon, soms ook die van de maan zoals in de islam, is de Aarde door de eeuwen heen toch dé klok gebleken waarop we ons allemaal, weliswaar ieder vanuit een eigen perspectief, hebben gericht. Het beeld van om de zon draaiende planeet drukt dan ook als geen ander de spanning uit tussen beweging en stagnering, voortgang en wederkeer, diversiteit en eenheid. Terwijl ruimtelijk gezien miljarden mensen naast elkaar op het aardoppervlak verschillende levens leiden, zoals dat van Jean in Mexico en dat van Mariam in Parijs, bevindt de bol onder ieders voeten zich steevast op hetzelfde punt van zijn omloop.

Wat betreft tijd geloven we graag dat de geschiedenis eindeloze ontwikkeling en geen herhaling kent, maar deze moet zich dan wel voltrekken tegen de achtergrond van de eeuwig repetitieve natuurprocessen. Wellicht wordt de menselijke historie net zo goed beheerst door de organische kringloop der seizoenen en maakt ze afwisselend periodes van ontluiking, bloei en verval door.

Dit is de natuurgebonden wijsheid die Jean evenzeer bij de oude Mexicaanse culturen aantreft als bij de presocratici, aan wie hij reeds op jonge leeftijd verknocht raakt. Zo heeft Parmenides van Elea gezegd: "Het maakt niet uit waar ik begin want daar kom ik ook weer uit." Dit inzicht verbindt de adolescent Jean Marro in de tweede helft van de twintigste eeuw bovendien met Kiambé, de dochter van de krijger Askari, die begrijpt dat met haar kind Ratsitatane herboren zal worden. Meer dan anderhalve eeuw scheidt het vertrek van Jean Eudes en zijn vrouw Marie-Anne naar Ile de France van de reis van Jean Marro en Mariam naar Mauritius, maar als Jean aan het graf van zijn voorouders staat is de omwenteling voltooid.

Toch zou dit alles ondenkbaar zijn zonder Cathérine, Jeans tante die hem over zijn familie op Mauritius heeft verteld. Zij vormt de as waarrond Omwentelingen draait, het blinde oog van de storm, wiens verhalen ervoor zorgen dat de flat in Jeans verbeelding plots wiegt als een schip, zoals de Rozelis misschien, en de ommegang begint.

Labels: , , , , , , ,

dinsdag 21 juli 2009

Munt slaan uit waarheid en fictie

André Gide, De valsemunters (Amsterdam: De Bezige Bij, 1969).

In de vroege jaren twintig had men in West-Europa, zoals onlangs in Zimbabwe, te kampen met hyperinflatie. Deze enorme muntontwaarding was voornamelijk te wijten aan de langdurige ontwrichting van de nationale economieën en de wereldhandel ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Met name in Duitsland speelden zich hallucinante taferelen af, onder meer beschreven door Sebastian Haffner in Het verhaal van een Duitser en Erich Hobsbawm in Een eeuw van uitersten. Mensen waren op den duur gedwongen met een kruiwagentje vol stinkende bankbiljetten hun inkopen te doen. Lees verder. Hoewel in mindere mate dan de mark verkeerden ook de Belgische en Franse frank in vrije val. Het is bijgevolg heel waarschijnlijk dat deze historische monetaire crisis André Gide heeft geïnspireerd tot het schrijven van De valsemunters dat in 1925 verscheen.

Vooral het collectieve gebrek aan vertrouwen in de betalingsmiddelen, waarvan hyperinflatie het symptoom is, moet Gide het motief van muntvervalsing aan de hand hebben gedaan. In weerwil van de titel lijkt de affaire van het nagemaakte geld, die pas laat in het boek geïntroduceerd wordt, op het eerste gezicht van ondergeschikt belang. De hele zaak wordt slechts terloops aangeroerd en bovendien raken de hoofdpersonen er uitsluitend zijdelings bij betrokken. Maar het 'gesjoemel' waar het Gide om begonnen is situeert zich dan ook niet op plotniveau, en heeft net zomin veel uitstaans met criminele activiteiten, integendeel.

Waar valsmunterij, evenals inflatie, ons immers op attendeert zijn de fictionele, want onstoffelijke en uit conventies bestaande 'grondslagen' die ieder waardesysteem, in dit geval het economische, schragen. Coupures die niet gedekt zijn door goudvoorraden in de banken behouden enkel en alleen hun ruilwaarde zolang de gebruikers, financiële instellingen en investeerders deze erkennen en de reële, veel lagere waarde van het stapeltje papier dat ze over de toonbank schuiven, niet beseffen of onder ogen willen zien. Oftewel, dit mechanisme functioneert op voorwaarde dat de echtheid van de geldstukken en biljetten niet in twijfel wordt getrokken en ze dus gelijk worden gesteld aan een welbepaalde, stabiele waarde. Zodra evenwel geld wordt vervalst of dusdanig ontwaardt dat je er nog het beste de kachel mee kan aanmaken - zie de foto hierboven -, raakt eveneens het zogenaamde authentieke geld letterlijk en figuurlijk in diskrediet.

Dit overkomt Gides hoofdpersonage Bernard, zij het dan in metaforische zin. Door per toeval de geheime correspondentie van zijn moeder te ontdekken komt hij namelijk aan de weet dat hij geen biologisch kind is van de man, de rechter Profitendieu, die hij gedurende de eerste zeventien jaar van zijn leven voor zijn vader heeft gehouden. Met de uitvoering van zijn daaropvolgende besluit het 'ouderlijke' huis te verlaten, in een brief aan Profitendieu expliciet afstand te doen van diens naam en voortaan als bastaard de wijde wereld van het naoorlogse Parijs in te trekken, pleegt Bernard daarom ook een daad van openlijk verzet tegen het patriarchale gezag dat zopas zijn legitimiteit heeft verloren.

Als icoon van de traditionele burgerlijke orde, weerspiegeld in zijn justitiële hoedanigheid als bewaker van de Wet en zijn veelzeggende naam die kapitaalsvermeerdering aan godsvrucht paart, wordt de heer Profitendieu daarmee van zijn sokkel gelicht. De natuurlijkheid en vanzelfsprekendheid waarmee zijn vaderschap aanvaard werd, zijn als bij toverslag verdwenen. Nu is het sociaal geconstrueerde karakter ervan aan de dag getreden. Zoals in het geval van het monetaire stelsel blijkt ook de waarheid 'ongedekt' te zijn; de autoriteit van de 'pater familias' berust niet zozeer op onvervreemdbare principes als wel op stilzwijgende afspraken. Profitendieu was wel degelijk op de hoogte van de buitenechtelijke escapades van zijn eega, maar omwille van zijn reputatie en het fatsoen heeft hij Bernard desondanks als zijn wettige zoon laten registreren.

Dat het creëren van dit vaderschap evenals het ondergraven ervan door middel van taal geschiedt, respectievelijk met behulp van deze registratie en de voornoemde liefdesbrieven, wijst ons de weg naar het kernpunt van De valsemunters. Op zijn zwerftocht komt Bernard immers al spoedig in contact met de schrijver Edouard, die op dat ogenblik aan een roman werkt die De valsemunters moet gaan heten. Dit roept een heleboel vragen op, want hoewel Edouards boek voor zover de lezer weet nooit wordt afgerond, is het best mogelijk dat Gide dit personage als zijn alter ego opvoert en zodoende een inkijkje verschaft in het schrijfproces van de roman die de lezer op datzelfde moment in handen heeft.

Wat de kwestie bovendien nog compliceert zijn Edouards dagboeknotities die verwerkt zitten in de doorlopende tekst, en waaruit valt af te leiden dat een auteur voor geen cent te vertrouwen is. Al dan niet bewust liegt en bedriegt hij zijn lezers, omdat geen enkele geschiedenis zich nu eenmaal objectief laat vertellen. De inhoud van een verhaal, bepaalde gebeurtenissen bijvoorbeeld, varieert steevast naargelang de vorm die het krijgt. Dat begreep ook Gide, zodat hij zich afwijzend opstelde jegens zijn negentiende-eeuwse voorgangers zoals Charles Dickens, Gustave Flaubert, Ivan Toergenjev of Thomas Hardy die in hun realistische romans doorgaans de illusie wekten slechts verslag uit te brengen van een serie feitelijkheden. Niet voor niets sprak Honoré de Balzac over zichzelf als de 'secretaris' van zijn tijd, en droomde Emile Zola van de roman als sociaalwetenschappelijk experiment. Hierdoor schenen de realisten, zoals Profitendieu, de waarheid van nature in pacht te hebben. Intussen had die literatuuropvatting echter afgedaan.

Gide beoogt juist valse munten te slaan en met zijn zelfreflexieve proza het oude, 'echte' waardesysteem te ontwrichten. Door het schrijven van een roman tot onderwerp van de roman te verheffen, de onbetrouwbare vader van het verhaal, Edouard, als personage op te voeren, slaagt hij erin de ideologische lading van de woorden, en de sociale verhoudingen die zij helpen bepalen, aan de vergetelheid van de gewoonte en de evidentie te ontrukken. De heersende klassen hebben er alle baat bij dat hun instituties, de financiële middelen bijvoorbeeld, en hun rollenpatronen, Profitendieus vaderschap, als de enige 'authentieke' voor te stellen. Zoals dit boek ons evenwel leert, is iets niet zozeer waar of echt omdat het dat is, maar omdat het dat lijkt te zijn.

Neem nu het traditionele kerngezin van vader, moeder en kinderen dat in de westerse samenlevingen lange tijd als het na te streven, natuurlijke model heeft gegolden. Uit hoofde van zijn homoseksualiteit waar in De valsemunters inderdaad voortdurend op wordt gezinspeeld, demonstreert Gide hoeveel ideologie er met dit idee gemoeid is. Veeleer dan aangeboren eigenschappen van het menselijke dier blijken heteroseksualiteit en gepretendeerde monogamie - kijk maar naar de komedie van de Profitendieus! - het product van op de joods-christelijke erfenis geënte gedragscodes (die homoseksualiteit bijvoorbeeld als 'tegennatuurlijk' plegen te bestempelen).

Literatuur vermag dan ook tegen dit soort dominante vertellingen te ageren en, aanvankelijk vooral in de marge, alternatieve verhalen te berde te brengen. Omdat we geneigd zijn zonder erbij na te denken de taal toch als een betrouwbaar ruilmiddel te blijven beschouwen, hebben we auteurs nodig, zo schijnt dit werk te insinueren, die met hun klinkende vervalste geldstukken het zogenaamd waardevaste circuit kunnen ontregelen. Op die manier kunnen de waarheidsclaims van deze gangbare culturele ficties eens daadwerkelijk tegen het licht worden gehouden.

Kunstenaars die zoals Gide tegen zulke heilige huisjes schoppen, doen dan ook over het algemeen heel wat stof opwaaien. Wie taal of geld 'vervalst' raakt aan de hegemonie van de hoogste machtsblokken en moet daarom ten strengste gestraft worden. Heel diep in Dantes Inferno, te weten in de tiende ringgracht van de achtste kring beschreven in Canto XXX, worden de meinedigen samen met de valsemunters aan de gruwelijkste lichamelijke kwellingen onderworpen. Zo verzucht meester Adam: "ik [vervalste] goudstukken met de beeldenaar van Johannes de Doper erop, iets wat tot gevolg had dat ik op de brandstapel kwam en stierf." Wie de echtheid van Gods vaderschap in de beeltenis van zijn doper, of zoals bij meinedigen die hun eed op de bijbel vervalsen, zijn Woord corrumpeert mag het ergste vrezen. Tja, als het aan Dante had gelegen zou Gide eeuwig branden...

Labels: ,

dinsdag 14 juli 2009

De nachtzijde van de autobiografie

Ce que la nuit raconte au jourHector Bianciotti, Ce que la nuit raconte au jour (Paris: Bernard Grasset, 1992).

Over wie schrijft de autobiograaf eigenlijk? Het antwoord op deze vraag, over zichzelf natuurlijk, lijkt al even evident als weinig zeggend. Immers, hoewel we er ons oppervlakkig beschouwd wel iets bij kunnen voorstellen, is het toch verdraaid lastig te benoemen waar dat 'zichzelf' dan precies uit bestaat. Lees verder.

De etymologie van 'auto-bios-grafein' (eigen-leven-schrijven) in acht genomen mogen we veronderstellen dat de autobiograaf zijn eigen levensloop of een gedeelte daarvan tracht te beschrijven, maar hoe kan hij of zij vanuit een actueel standpunt zonder meer toegang krijgen tot dat verleden en het bovendien voor een vreemde lezer ontsluiten?

Hector Bianciotti, thans Frans staatsburger en lid van de prestigieuze Académie Française maar in 1930 geboren in Argentinië als zoon van Piëmontese immigranten, wijst geregeld op dit probleem in het eerste deel van zijn autobiografische cyclus. Zoals de pen ongemerkt kan afdwalen, meent Bianciotti, werkt ook het geheugen misleidend: "Aussi loin que m'entraîne ce fil d'encre, la mémoire ne cessera de me dérouter, qui réserve aux faits un sort sans commune mesure avec leur importance".

De titel Ce que la nuit raconte au jour (Wat de dag de nacht vertelt) is alvast veelbetekenend: wat wil of kan de nacht, het weggedeemsterde verleden en dan met name zijn kinderjaren nabij Córdoba op de eentonige, als een oceaan zo uitgestrekte grasvlakte van de pampa, de dag oftewel het huidige bewustzijn van de schrijver nog vertellen? Waarom lichten bepaalde gebeurtenissen en ervaringen op als vallende sterren aan de prairiehemel, terwijl andere door dikke snel oprukkende graspluimen zijn overwoekerd en verzwolgen? Bianciotti blijft zich verwonderen over het mysteriespel van de herinnering, dat zijn begrijpelijke verwachting zichzelf erin te herkennen keer op keer doorkruist: "Pourquoi des faits anodins, des choses aperçues en rêve s'impriment-elles en nous de façon ineffaçable, alors que des événements capitaux s'estompent, et que des héros de nos vies se fondent dans les coulisses? Et dire que la mémoire est la matière de mon présent, et ce qui en reste, la chose que je suis !"

Hoe is het mogelijk dat hele periodes, soms van meerdere jaren lang, als in een zwart gat zijn verdwenen en specifieke voorvallen hem daarentegen nog haarscherp - in al hun zintuiglijkheid - voor de geest staan? Zoals toen zijn moeder hem op het nippertje van een opgeschrikte slang bij de waterput redde, hij onder het weiden van de kudde leerde masturberen door over de rug van een paard heen-en-weer te schuren of zijn vaders jaaropbrengst in een mum van tijd kaalgevreten zag worden door miljoenen sprinkhanen. Uiteraard, hierin zijn de sleutelmomenten te herkennen die volgens psychologen de persoonlijkheid determineren - in dit geval de eerste heftige angstreactie, de ontwakende seksualiteit en traumatische tegenslagen - en daarom ook in tal van biografieën opduiken, maar met deze verklaringen nemen de moeilijkheden die de autobiografie aankleven slechts in aantal toe.

Die zogenaamde sleutelmomenten behoren namelijk ook tot de topoi, de clichématige thema's of terugkerende structuurelementen, van het autobiografische genre. Deze topoi vormen als het ware een soort raster dat reeds van tevoren is uitgetekend en waarvan de autobiograaf onder het schrijven, al dan niet bewust, enkel de hokjes hoeft in te vullen. Zo bevat het merendeel van de levensbeschrijvingen, behalve voornoemde voorbeelden, ook steevast passages over de achtergrond van de ouders, de geboorte(dag) van de ik-persoon, diens schooltijd of opleiding en de eerste contacten met de interessesfeer waar diens toekomstige 'roeping' van zal blijken uit te gaan.

Daarnaast stellen ook vertelwijze, -perspectief en -tijd hun eisen: zoals de voorgaande opsomming van courante thema's al impliciet aangeeft, wordt het verhaal over het algemeen chronologisch en door de auteur zelf in de ik-persoon verteld, waarbij deze terugblikt op hetgeen achter hem of haar ligt. Dit persoonlijk curriculum moet dan nog het liefst een logische ontwikkeling vertonen, een opwaartse curve die een overwinning op zichzelf of de omstandigheden betekent: van marginale onbeduidendheid naar maatschappelijk succes voerend - denk aan Waris Dirie die als Somalische Dochter van de nomaden topmodel werd -, van bekrompen familiekring naar wereldse onafhankelijkheid - Bianciotti's eigen ontworsteling aan het boerenbedrijf om kunstenaar te worden -, van isolement door lichamelijke beperking naar sociale acceptatie - Helen Kellers memoires over haar gevecht met het doofblind zijn -, of van zonde naar berouw - in wellicht de oudste autobiografie ter wereld Sint Augustinus' Confessiones. Kortom, wie zoals Bianciotti het plan opvat zijn eigen levensverhaal op schrift te stellen, maakt zich op basis van talloze voorgangers een voorstelling van hoe een dergelijke tekst eruit hoort te zien. Of deze mentale blauwdruk vervolgens ook als een onschendbare regel wordt gerespecteerd is een tweede, maar dat hij de herinnering mede stuurt lijkt me onvermijdelijk.

Niet alleen speelt het onpeilbare geheugen de autobiograaf parten, ook - en misschien wel vooral - is diens werkinstrument de taal dus voor geen cent te vertrouwen. Uiteraard zijn topoi of genregebonden conventies lang niet de enige 'stoorzenders' op de lijn tussen taal en niet-taal, in dit geval tussen de geschreven tekst en de zich herinnerende mens Bianciotti. Niets nieuws onder de zon, inderdaad. Roland Barthes heeft er bij herhaling op gehamerd dat 'ik' slechts degene is die 'ik' zegt, op het ogenblik van de uiting dus, en niet degene die gisteren heeft gehandeld. Zo ook in zijn essay "Écrire, verbe intransitif ?": "le je du discours ne peut plus être le lieu où se restitue innocemment une personne préalablement emmagasinée." Het 'ik' functioneert uitsluitend binnen de context van een zin, een tekst of gesprekssituatie, en kan bijgevolg nooit zomaar een inkijkje bieden in het opgeslagen of ingeblikte verleden van een persoon ("la personne emmagasinée"). Van dit fundamentele inzicht is het gros van de auteurs intussen, na een eeuw van (post)structuralistische filosofie en taalkunde, wel doordrongen geraakt.

Dat ook Bianciotti hier voortdurend rekening mee houdt hangt waarschijnlijk eveneens samen met het feit dat zijn 'ik' in niet minder dan drie verschillende talen en inherente cultuurpatronen is gedacht, gesproken en geschreven. Hoewel het Piëmontese dialect dat zijn ouders onderling nog spraken de eerste taal was die hij te horen kreeg, was in huize Bianciotti omwille van de integratie van de kinderen Spaans de lingua franca. Pas op latere leeftijd, lang nadat hij in 1955 naar Europa was geëmigreerd, heeft de auteur geleidelijk aan het Spaans voor Frans verruild.

Dit houdt in dat hij thans in het Frans dingen moet (re)construeren die hij aanvankelijk in het Spaans of, zij het in mindere mate, in het Piëmontees heeft waargenomen. Subtiel alludeert hij op de spanningen die dit oplevert, wanneer in zijn hoofd de herinnering aan een klein bijzonder vogeltje langs fladdert dat op de pampa befaamd is om zijn ingenieuze nesten:
"Je pense au nid de l'hornero, véritable construction en torchis que Florencio fracassa pour combler ma curiosité. J'éviterai le nom français « fournier » de ce petit oiseau architecte qui n'appartient qu'aux plaines de l'Amérique du Sud."

Wij zouden deze 'hornero' vast ook een Nederlandse naam kunnen geven, maar daarmee wordt deze vogel nimmer het nationale symbool van Argentinië dat hij wel in het Spaans is. Zich herinneren blijft dan ook een vertaalslag, met al het verlies aan oorspronkelijke en winst aan nieuwe betekenissen van dien.

Labels: , ,