dinsdag 24 november 2009

Kijken over sociale grenzen heen

Als er iemand ons idee van de moderne stad heeft bepaald, dan is het baron Haussmann wel die medio negentiende eeuw Parijs drastisch renoveerde. De sterk verouderde infrastructuur met zijn nauwe ongeplaveide steegjes, rondslingerend vuil en uitdijende sloppenwijken was ook dringend toe aan een schoonmaakbeurt om de toevloed aan gelukszoekers van het platteland en goederen nog enigszins te kunnen bolwerken.

Straten werden verhard en van trottoirs voorzien; men legde rioleringen aan en er verschenen vuilnisbakken in het straatbeeld; straten kregen voor het eerst een vaste naam en huizen een nummer, zodat de woonplaats van iedere burger voortaan centraal geregistreerd kon worden. Haussmanns beroemdste innovatie waren evenwel de brede boulevards die de hele stad doorsneden, verloederde buurten openbraken en een snellere circulatie van mensen en verkeer garandeerden. De economische activiteit nam hierdoor nog toe: winkeltjes, voorlopers van onze warenhuizen, restaurants en kroegen vestigden zich langs deze grote verkeersassen om zoveel klanten aan te trekken.

Deze grootschalige facelift van de Franse hoofdstad bracht echter ook een nieuw soort sociale conflicten teweeg. Dit blijkt onder meer uit het kortverhaal 'Les yeux des pauvres' uit Baudelaires Le spleen de Paris (1869). Een man vertelt hoe hij samen met zijn geliefde op de hoek van een pas voltooide boulevard een al even gloednieuw café had uitgezocht, met een interieur om bij weg te dromen, toen dit romantische onderonsje plots werd verstoord door een armetierige vader en zijn twee kleine kinderen die hen vanaf de straat stonden aan te gapen:

"Les yeux du père disaient: 'Que c'est beau! que c'est beau! on dirait que tout l'or du pauvre monde est venu se porter sur ces murs.' - Les yeux du petit garçon: 'Que c'est beau! que c'est beau! mais c'est une maison où peuvent seuls entrer les gens qui ne sont pas comme nous.' - Quant aux yeux du plus petit, ils étaient trop fascinés pour exprimer autre chose qu'une joie stupide et profonde.

Les chansonniers disent que le plaisir rend l'âme bonne et amollit le coeur. La chanson avait raison ce soir-là, relativement à moi. Non seulement j'étais attendri par cette famille d'yeux, mais je me sentais un peu honteux de nos verres et de nos carafes, plus grands que notre soif. Je tournais mes regards vers les vôtres, cher amour, pour y lire ma pensée; je plongeais dans vos yeux si beaux et si bizarrement doux, dans vos yeux verts, habités par le Caprice et inspirés par la Lune, quand vous me dites: 'Ces gens-là me sont insupportables avec leurs yeux ouverts comme des portes cochères! Ne pourriez-vous pas prier le maître du café de les éloigner d'ici?'"
De verregaande stadsvernieuwing heeft ervoor gezorgd dat de armere buitenwijken thans ook in directe verbinding met het centrum staan. Waren minder bemiddelde lieden voorheen gedwongen in hun afgesloten milieu te blijven, voortaan spelen confrontaties als deze tussen mensen uit verschillende sociale lagen zich dagelijks af in de publieke ruimte van winkelstraten, pleinen en cafés. Fysiek of verbaal geweld zijn hier niet aan de orde, maar het kruisen der blikken creëert een zinderend spanningsveld: de afgunst van de vader, de bewondering van de kinderen, de schaamte van de verteller en de wrevel van zijn beminde. Arm en rijk komen zodoende oog in oog te staan.

Labels: , ,

vrijdag 25 september 2009

Draaien om de vertel-as

J.M.G. Le Clézio, Omwentelingen (Breda: De Geus, 2004).

omwenteling de (v.)

1 draaiing van een voorwerp om zijn as

In het post-Einsteinuniversum bestaat geen enkelvoudige kosmische tijd, maar is elk lichaam dat door een cyclus gaat een klok die zijn eigen tijd creëert. Het statuut van klok komt bijgevolg behalve onze planeet, ook iedere plant, dier of mens toe.

Jean Marro leidt het jachtige globetrottersbestaan van een adolescent in de tweede helft van de twintigste eeuw. Opgegroeid in Nice vertrekt hij naar Londen om medicijnen te studeren, zoekt vervolgens het avontuur in Mexico Stad, keert terug naar Frankrijk, naar zijn geboortestad, huwt zijn Algerijnse vrouw Mariam later in Parijs. Lees verder.

De blinde Cathérine zit eenzaam in haar bouwvallige flatje in Nice, thans bejaard, dromend over het landgoed Rozelis op Mauritius. Op dat eiland in de Indische Oceaan heeft ze haar kindertijd doorgebracht, totdat het gezin in 1910 hun eigendom vanwege schulden moest verlaten. Sedert 1918 woont ze, sterk verarmd, in Frankrijk en koestert er de herinnering aan haar verloren paradijs. Nu wacht ze iedere middag op haar neefs klopje op de deur, haar vingers die op de tast Jeans gezicht herkennen, alle verhalen over vroeger die ze hem daarna vertelt.

Zoals honderdduizenden andere boerenzoons trekt de Breton Jean Eudes Marro in 1794 vrijwillig ten strijde voor de Revolutie, behaalt samen met hen de overwinning op de Pruisen bij Valmy, maar neemt ten slotte ontslag uit onvrede met de plunderingen van boerderijen ter bevoorrading van het leger. Terug in Bretagne krijgt hij wegens zijn verleden als sansculotte evenwel af te rekenen met het wantrouwen
van zijn overwegend katholieke dorpsgenoten, zodat hij met zijn jonge vrouw Marie-Anne naar Ile de France - de oude naam van Mauritius - besluit te emigreren om er als kolonisten de revolutionaire idealen in praktijk te brengen. Wanneer ze aan boord van de Rozelis de haven van Le Havre uitvaren voor een maandenlange gevaarlijke zeereis beseffen ze dat ze nu voor het laatst in hun leven de Franse rotskusten zien.

Kiambé "dochter van de krijger Askari" is uit Madagaskar als gevangene weggevoerd naar Ile de France waar ze, een van de weinigen die de overtocht in erbarmelijke omstandigheden hebben overleefd, in de hoofdstad Port-Louis slavenarbeid moet verrichten. De hoop op bevrijding gloort echter voor Kiambé, wanneer onder leiding van de legendarische Ratsitatane in 1822 naar het lichtend voorbeeld van Saint-Domingue een slavenopstand uitbreekt. Zelfs nadat het oproer is neergeslagen en de leiders publiekelijk zijn onthoofd om eventuele navolgers af te schrikken, voelt Kiambé zich opnieuw verbonden met haar geboortegrond door Ratsitatanes kind in haar buik. Weldra zal haar man terugkeren, weet ze, en zal hij hen beiden meenemen "op het grote schip naar het grote land."

2 algehele verandering, ommekeer in de staatskundige en/of maatschappelijke toestanden in een land ten gevolge van de actie van hen die aan die toestanden onderworpen waren en die een nieuwe regering invoeren
Synoniem: revolutie

Wat bijna al deze levens met elkaar gemeen hebben is dat de loop ervan bepaald wordt door het revolutionaire geweld van de jongste eeuwen. Voor Jean Eudes en Kiambé zijn dat de bloedige naweeën van 1789. Het geloof in liberté, égalité, fraternité is samen met tienduizenden 'tegenstanders van de Republiek' onder Robespierres guillotine onthoofd. De slavernij die door de Nationale Conventie was afgeschaft omdat deze praktijk niet langer strookte met de gloednieuwe Verklaring van de Rechten van de Mens, heeft Napoleon weer ingevoerd in de overzeese kolonies.

150 jaar later sneuvelt Jeans beste vriend in de Algerijnse bevrijdingsoorlog, terwijl zijn toekomstige vrouw Mariam op een haar na door een aanstormende Franse tank vermorzeld wordt in de straten van Algiers. Later zijn ze getuige van de studentenprotesten, Mariam in Parijs in mei 1968, Jean van het bloedbad van Tlatelolco in Mexico Stad, wanneer het leger op 2 oktober het vuur opent op de demonstranten en er honderden doden achterblijven.

3 algehele verandering in de toestand van iets, in een staat van zaken

Het is nog maar de vraag of al deze politieke omwentelingen ooit daadwerkelijk enige vooruitgang hebben bewerkstelligd. Zoals Walter Benjamins "engel van de geschiedenis" moet constateren: "Hij heeft het gelaat naar het verleden toegekeerd. Waar voor ons een aaneenschakeling van gebeurtenissen verschijnt, ziet hij één grote catastrofe die onafgebroken puinhoop op puinhoop stapelt en ze hem voor de voeten smijt." En desalniettemin blijven de verwachtingen hoog gespannen opdat de collectieve wil er ditmaal wel in zal slagen de richting van de gebeurtenissen te wijzigen.

Echter, aangenomen dat een revolutie wezenlijk ten doel heeft een verstoord evenwicht te herstellen, de ongelijkheid ongedaan te maken, dan lijkt deze pas echt vorm te krijgen in de omarming van twee geliefden. Alleen in de omhelzing van Kiambé en Ratsitatane, van Jean Eudes en Marie-Anne, van Jean en Mariam, schittert even het transparante moment van de éénwording, de balans, de stilstand, de ware ommekeer.

revolutie de (v.)

1 (astronomie) jaarlijkse omwenteling van de aarde om de zon

Naast een subjectieve tijd is er ook de publieke tijd, waardoor het op miljoenen horloges binnen eenzelfde tijdzone ongeveer even laat kan zijn en evenveel kalenders dezelfde datum aangeven. Aangezien deze 'lokale' tijdrekeningen - nu met de enorme omvang van een meridiaan, vroeger veeleer samenvallend met een rijk, cultuur of religie - bij benadering natuurlijke cycli volgen, meestal die van de zon, soms ook die van de maan zoals in de islam, is de Aarde door de eeuwen heen toch dé klok gebleken waarop we ons allemaal, weliswaar ieder vanuit een eigen perspectief, hebben gericht. Het beeld van om de zon draaiende planeet drukt dan ook als geen ander de spanning uit tussen beweging en stagnering, voortgang en wederkeer, diversiteit en eenheid. Terwijl ruimtelijk gezien miljarden mensen naast elkaar op het aardoppervlak verschillende levens leiden, zoals dat van Jean in Mexico en dat van Mariam in Parijs, bevindt de bol onder ieders voeten zich steevast op hetzelfde punt van zijn omloop.

Wat betreft tijd geloven we graag dat de geschiedenis eindeloze ontwikkeling en geen herhaling kent, maar deze moet zich dan wel voltrekken tegen de achtergrond van de eeuwig repetitieve natuurprocessen. Wellicht wordt de menselijke historie net zo goed beheerst door de organische kringloop der seizoenen en maakt ze afwisselend periodes van ontluiking, bloei en verval door.

Dit is de natuurgebonden wijsheid die Jean evenzeer bij de oude Mexicaanse culturen aantreft als bij de presocratici, aan wie hij reeds op jonge leeftijd verknocht raakt. Zo heeft Parmenides van Elea gezegd: "Het maakt niet uit waar ik begin want daar kom ik ook weer uit." Dit inzicht verbindt de adolescent Jean Marro in de tweede helft van de twintigste eeuw bovendien met Kiambé, de dochter van de krijger Askari, die begrijpt dat met haar kind Ratsitatane herboren zal worden. Meer dan anderhalve eeuw scheidt het vertrek van Jean Eudes en zijn vrouw Marie-Anne naar Ile de France van de reis van Jean Marro en Mariam naar Mauritius, maar als Jean aan het graf van zijn voorouders staat is de omwenteling voltooid.

Toch zou dit alles ondenkbaar zijn zonder Cathérine, Jeans tante die hem over zijn familie op Mauritius heeft verteld. Zij vormt de as waarrond Omwentelingen draait, het blinde oog van de storm, wiens verhalen ervoor zorgen dat de flat in Jeans verbeelding plots wiegt als een schip, zoals de Rozelis misschien, en de ommegang begint.

Labels: , , , , , , ,

dinsdag 21 juli 2009

Munt slaan uit waarheid en fictie

André Gide, De valsemunters (Amsterdam: De Bezige Bij, 1969).

In de vroege jaren twintig had men in West-Europa, zoals onlangs in Zimbabwe, te kampen met hyperinflatie. Deze enorme muntontwaarding was voornamelijk te wijten aan de langdurige ontwrichting van de nationale economieën en de wereldhandel ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Met name in Duitsland speelden zich hallucinante taferelen af, onder meer beschreven door Sebastian Haffner in Het verhaal van een Duitser en Erich Hobsbawm in Een eeuw van uitersten. Mensen waren op den duur gedwongen met een kruiwagentje vol stinkende bankbiljetten hun inkopen te doen. Lees verder. Hoewel in mindere mate dan de mark verkeerden ook de Belgische en Franse frank in vrije val. Het is bijgevolg heel waarschijnlijk dat deze historische monetaire crisis André Gide heeft geïnspireerd tot het schrijven van De valsemunters dat in 1925 verscheen.

Vooral het collectieve gebrek aan vertrouwen in de betalingsmiddelen, waarvan hyperinflatie het symptoom is, moet Gide het motief van muntvervalsing aan de hand hebben gedaan. In weerwil van de titel lijkt de affaire van het nagemaakte geld, die pas laat in het boek geïntroduceerd wordt, op het eerste gezicht van ondergeschikt belang. De hele zaak wordt slechts terloops aangeroerd en bovendien raken de hoofdpersonen er uitsluitend zijdelings bij betrokken. Maar het 'gesjoemel' waar het Gide om begonnen is situeert zich dan ook niet op plotniveau, en heeft net zomin veel uitstaans met criminele activiteiten, integendeel.

Waar valsmunterij, evenals inflatie, ons immers op attendeert zijn de fictionele, want onstoffelijke en uit conventies bestaande 'grondslagen' die ieder waardesysteem, in dit geval het economische, schragen. Coupures die niet gedekt zijn door goudvoorraden in de banken behouden enkel en alleen hun ruilwaarde zolang de gebruikers, financiële instellingen en investeerders deze erkennen en de reële, veel lagere waarde van het stapeltje papier dat ze over de toonbank schuiven, niet beseffen of onder ogen willen zien. Oftewel, dit mechanisme functioneert op voorwaarde dat de echtheid van de geldstukken en biljetten niet in twijfel wordt getrokken en ze dus gelijk worden gesteld aan een welbepaalde, stabiele waarde. Zodra evenwel geld wordt vervalst of dusdanig ontwaardt dat je er nog het beste de kachel mee kan aanmaken - zie de foto hierboven -, raakt eveneens het zogenaamde authentieke geld letterlijk en figuurlijk in diskrediet.

Dit overkomt Gides hoofdpersonage Bernard, zij het dan in metaforische zin. Door per toeval de geheime correspondentie van zijn moeder te ontdekken komt hij namelijk aan de weet dat hij geen biologisch kind is van de man, de rechter Profitendieu, die hij gedurende de eerste zeventien jaar van zijn leven voor zijn vader heeft gehouden. Met de uitvoering van zijn daaropvolgende besluit het 'ouderlijke' huis te verlaten, in een brief aan Profitendieu expliciet afstand te doen van diens naam en voortaan als bastaard de wijde wereld van het naoorlogse Parijs in te trekken, pleegt Bernard daarom ook een daad van openlijk verzet tegen het patriarchale gezag dat zopas zijn legitimiteit heeft verloren.

Als icoon van de traditionele burgerlijke orde, weerspiegeld in zijn justitiële hoedanigheid als bewaker van de Wet en zijn veelzeggende naam die kapitaalsvermeerdering aan godsvrucht paart, wordt de heer Profitendieu daarmee van zijn sokkel gelicht. De natuurlijkheid en vanzelfsprekendheid waarmee zijn vaderschap aanvaard werd, zijn als bij toverslag verdwenen. Nu is het sociaal geconstrueerde karakter ervan aan de dag getreden. Zoals in het geval van het monetaire stelsel blijkt ook de waarheid 'ongedekt' te zijn; de autoriteit van de 'pater familias' berust niet zozeer op onvervreemdbare principes als wel op stilzwijgende afspraken. Profitendieu was wel degelijk op de hoogte van de buitenechtelijke escapades van zijn eega, maar omwille van zijn reputatie en het fatsoen heeft hij Bernard desondanks als zijn wettige zoon laten registreren.

Dat het creëren van dit vaderschap evenals het ondergraven ervan door middel van taal geschiedt, respectievelijk met behulp van deze registratie en de voornoemde liefdesbrieven, wijst ons de weg naar het kernpunt van De valsemunters. Op zijn zwerftocht komt Bernard immers al spoedig in contact met de schrijver Edouard, die op dat ogenblik aan een roman werkt die De valsemunters moet gaan heten. Dit roept een heleboel vragen op, want hoewel Edouards boek voor zover de lezer weet nooit wordt afgerond, is het best mogelijk dat Gide dit personage als zijn alter ego opvoert en zodoende een inkijkje verschaft in het schrijfproces van de roman die de lezer op datzelfde moment in handen heeft.

Wat de kwestie bovendien nog compliceert zijn Edouards dagboeknotities die verwerkt zitten in de doorlopende tekst, en waaruit valt af te leiden dat een auteur voor geen cent te vertrouwen is. Al dan niet bewust liegt en bedriegt hij zijn lezers, omdat geen enkele geschiedenis zich nu eenmaal objectief laat vertellen. De inhoud van een verhaal, bepaalde gebeurtenissen bijvoorbeeld, varieert steevast naargelang de vorm die het krijgt. Dat begreep ook Gide, zodat hij zich afwijzend opstelde jegens zijn negentiende-eeuwse voorgangers zoals Charles Dickens, Gustave Flaubert, Ivan Toergenjev of Thomas Hardy die in hun realistische romans doorgaans de illusie wekten slechts verslag uit te brengen van een serie feitelijkheden. Niet voor niets sprak Honoré de Balzac over zichzelf als de 'secretaris' van zijn tijd, en droomde Emile Zola van de roman als sociaalwetenschappelijk experiment. Hierdoor schenen de realisten, zoals Profitendieu, de waarheid van nature in pacht te hebben. Intussen had die literatuuropvatting echter afgedaan.

Gide beoogt juist valse munten te slaan en met zijn zelfreflexieve proza het oude, 'echte' waardesysteem te ontwrichten. Door het schrijven van een roman tot onderwerp van de roman te verheffen, de onbetrouwbare vader van het verhaal, Edouard, als personage op te voeren, slaagt hij erin de ideologische lading van de woorden, en de sociale verhoudingen die zij helpen bepalen, aan de vergetelheid van de gewoonte en de evidentie te ontrukken. De heersende klassen hebben er alle baat bij dat hun instituties, de financiële middelen bijvoorbeeld, en hun rollenpatronen, Profitendieus vaderschap, als de enige 'authentieke' voor te stellen. Zoals dit boek ons evenwel leert, is iets niet zozeer waar of echt omdat het dat is, maar omdat het dat lijkt te zijn.

Neem nu het traditionele kerngezin van vader, moeder en kinderen dat in de westerse samenlevingen lange tijd als het na te streven, natuurlijke model heeft gegolden. Uit hoofde van zijn homoseksualiteit waar in De valsemunters inderdaad voortdurend op wordt gezinspeeld, demonstreert Gide hoeveel ideologie er met dit idee gemoeid is. Veeleer dan aangeboren eigenschappen van het menselijke dier blijken heteroseksualiteit en gepretendeerde monogamie - kijk maar naar de komedie van de Profitendieus! - het product van op de joods-christelijke erfenis geënte gedragscodes (die homoseksualiteit bijvoorbeeld als 'tegennatuurlijk' plegen te bestempelen).

Literatuur vermag dan ook tegen dit soort dominante vertellingen te ageren en, aanvankelijk vooral in de marge, alternatieve verhalen te berde te brengen. Omdat we geneigd zijn zonder erbij na te denken de taal toch als een betrouwbaar ruilmiddel te blijven beschouwen, hebben we auteurs nodig, zo schijnt dit werk te insinueren, die met hun klinkende vervalste geldstukken het zogenaamd waardevaste circuit kunnen ontregelen. Op die manier kunnen de waarheidsclaims van deze gangbare culturele ficties eens daadwerkelijk tegen het licht worden gehouden.

Kunstenaars die zoals Gide tegen zulke heilige huisjes schoppen, doen dan ook over het algemeen heel wat stof opwaaien. Wie taal of geld 'vervalst' raakt aan de hegemonie van de hoogste machtsblokken en moet daarom ten strengste gestraft worden. Heel diep in Dantes Inferno, te weten in de tiende ringgracht van de achtste kring beschreven in Canto XXX, worden de meinedigen samen met de valsemunters aan de gruwelijkste lichamelijke kwellingen onderworpen. Zo verzucht meester Adam: "ik [vervalste] goudstukken met de beeldenaar van Johannes de Doper erop, iets wat tot gevolg had dat ik op de brandstapel kwam en stierf." Wie de echtheid van Gods vaderschap in de beeltenis van zijn doper, of zoals bij meinedigen die hun eed op de bijbel vervalsen, zijn Woord corrumpeert mag het ergste vrezen. Tja, als het aan Dante had gelegen zou Gide eeuwig branden...

Labels: ,

donderdag 16 juli 2009

Toen de toerist nog een reiziger was

Cyriel Buysse, Reizen van toen: met de automobiel door Frankrijk (Antwerpen-Amsterdam: Manteau, 1992).

Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt. Recreatief reizen wordt slechts dan mogelijk wanneer je in ruime mate over vrije tijd beschikt, na in je basisbehoeften te hebben voorzien nog een aardige duit te besteden hebt en de infrastructuur, zowel de accommodatie als de transportmiddelen, het ook nog toelaat. Aan deze voorwaarden werd voor grote delen van de bevolking in het westen en Japan feitelijk pas voldaan met de komst van de welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog, het almaar toenemende autobezit, de verdere commercialisering van het treinverkeer en later de luchtvaart, de expansie van de toeristische sector (horeca, reisbureaus, VVV etc.). Lees verder.

Daarnaast hebben de democratisering van onderwijs en media onrechtstreeks bijgedragen aan de verhoogde reislust, doordat iedereen tot aan de laagste sociale klassen toe plots in contact kon komen met vreemde landen, talen en culturen. Eind jaren twintig merkte de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset in De opstand der horden reeds op dat het moderne, geïnformeerde individu hierdoor in de voortdurende aanwezigheid leeft van ruimtelijk ver verwijderde streken en lang vervlogen tijden. "Nauwelijks een jaar geleden," vertelt Ortega y Gasset, "volgden de inwoners van Sevilla, in de populaire kranten, uur voor uur de belevenissen van een groepje poolreizigers, wat betekent
dat er op de hete bodem van de Andalusische vlakte kruiende ijsschotsen dreven."

Dit is nog steeds een treffend beeld voor de zich kosmopoliet wanende mens van vandaag, imaginair vertrouwd met de hele planeet. Het belangrijkste verschil met Ortega y Gassets doorsnee burger bestaat echter hierin dat deze zich nog noodgedwongen moest beperken tot zijn verbeeldingskracht, terwijl wij er meermaals per jaar op uit kunnen trekken om de in tv-beelden, vakantiebrochures en websites voorgetoverde wereld ook aan den lijve te ondervinden.

Degenen die zich dit aan het begin van de twintigste eeuw al wel konden veroorloven behoorden tot de aristocratie of de gegoede burgerij. Dat geldt ook zeker voor Cyriel Buysse die als zoon van een bemiddeld cichoreifabrikant danig in de slappe was zat, zodat hij zich zijn leven lang ongestoord behalve aan de literatuur ook aan reizen kon wijden. Buysse was een fervent 'automobilist', een feit waarvan de bijzondere vermelding paste in een tijd dat autorijden nog als een kunst of volwaardig beroep werd bejegend. Chaufferen diende in de gepaste outfit te gebeuren, met handschoenen en stofbril, zoals Pad die karikaturaal genoeg ook draagt in Kenneth Grahames sprookje The wind in the willows, zodra hij er in zijn megalomanie van droomt zelf achter het stuur te kruipen.

In deze bundel, die reportages bevat over meerdere reizen die Buysse tussen 1911 en 1932 door Frankrijk maakte, zien we de auteur zelf of diens goede vriend Maurice Maeterlinck, met wie hij vaak de voorbank deelde, dan ook geregeld in soortgelijke uitdossing aantreden. Het was immers ook een gevecht tegen de elementen, daar behalve de voorruit niets anders beschutting bood aan de inzittenden. Op geamuseerde toon beschrijft Buysse bijvoorbeeld hoe zijn 'drie dames', waarschijnlijk zijn stiefdochters, zich tijdens hun 'tour de France' stelselmatig begraven onder stapels jassen, dekens, sjaals en hoeden.

Ondanks het nog geringe comfort verhieven de hoge kostprijs, het onderhoud evenals het loon voor de geüniformeerde chauffeur de automobiel ogenblikkelijk tot een exclusief bezit, een statussymbool. Dat blijkt onder meer uit de prachtige roman Ragtime van E.L. Doctorow. Terwijl de succesvolle illusionist Houdini – de boeienkoning – zich rond laat rijden door New York, moet de zwarte bestuurder Coalhouse Walker met lede ogen aanzien dat racistische brandweerlieden zijn gloednieuwe wagen naar de vernieling helpen. Een 'neger' werd niet geacht een eigen auto te hebben, net zomin als een vrouw er een mocht besturen. Over Gertrude Stein schreef een progressief Frans tijdschrift ooit dat ze niet alleen boeken kon schrijven, maar 'bovendien' haar bestelwagen wonderwel door het drukke Parijse verkeer wist te manoeuvreren...

Hoewel Buysse zich getuige zijn geëngageerde romans terdege bewust was van zijn eigen bevoorrechte positie, vestigt hij er in deze reisverhalen zelden of nooit de aandacht op. Niettemin zijn de klassenverschillen onmiskenbaar, wanneer de schrijver Gaston, een jongen uit zijn geboortedorp Nevele – nabij Gent -, meeneemt als chauffeur. Behalve aan de onbehouwen manieren van deze knaap uit het volk die om de haverklap tot de meest komische situaties leiden, merk je dat vooral aan de sociale taalgrens die kenmerkend was voor het toenmalige Vlaanderen en ook dwars door de auto loopt. Terwijl Buysse zich met zijn medepassagiers, enkel aangeduid met "de Schilder" en "de Filosoof", in het Frans onderhoudt, spreekt en verstaat Gaston alleen maar Gents dialect. Gelukkig dat 'menier Cyriel' evenwel nooit minachtend heeft neergekeken op het Nederlands, dat destijds voor Vlaamse burgerlui nog altijd veruit de mindere was van de cultuurtaal Frans, want anders hadden we een van onze allergrootste vertellers moeten missen.

Maar ik dwaal af. Dat Ragtime opent met Houdini's autopech, en wel een imploderende motor, strookt ook helemaal met alle technische ellende die Buysse onderweg steevast te verduren krijgt. Op de vaak nog provisorische wegen regent het lekke banden. Ofschoon de bestuurder van dienst doorgaans een uur voor vertrek onder de motorkap verdwijnt en ook na aankomst in het hotel 's avonds een poosje sleutelt, kan de machinerie het alsnog op ieder moment laten afweten. Laconiek rapporteert hij hoe ze bij zo'n gelegenheid de defecte auto door een span boerenpaarden naar het dichtstbijzijnde stationnetje
moeten laten slepen om hem op transport te zetten; dat was meteen ook het einde van de tocht…

Hoezeer Buysse de vrijheid om te gaan en te staan waar je wil die de auto hem schenkt ook bij herhaling erkent, zijn nuchtere geestige kijk op de dingen verhindert elke vorm van futuristisch gedweep over snelheid of de mens-machine. Hoewel dit nieuwerwetse vervoermiddel ook bij hem nog een volwaardig personage mag heten, speelt het nooit de hoofdrol als in de poëzie van Marinetti of Bordewijks novelle Knorrende beesten. Het stelt hem voornamelijk in staat om frequent naar het zuiden af te zakken, en Frankrijk kriskras doorkruisend de landschappen van Bourgondië, de Provence, de Landée of Normandië en steden als Parijs, Dijon, Lyon of Nice in fijne sfeertekeningen te vangen. Omdat Buysses Nederlands bovendien even fris is gebleven als dat van Elsschot of Du Perron, kun je Reizen van toen ook vandaag nog met veel genoegen lezen als een alternatieve reisgids, een relativerend verslag van een der eerste toeristen.

Labels: , , ,