vrijdag 13 november 2009

Uitgeblust naar de pampa's

Jeroen Theunissen, Een vorm van vermoeidheid (Meulenhoff/Manteau, 2008).

Samen met Ruth Lasters is Jeroen Theunissen overmorgen te gast in het Kortrijkse Penhuis. De hoofdpersoon van diens nieuwste roman Een vorm van vermoeidheid behoort tot een jonge generatie die een uitermate comfortabel leventje leidt. De vierendertigjarige Horacio Gnade heeft toch allerminst reden om ontevreden te zijn: hij vervult een mooie functie aan de universiteit, is getrouwd met een gevestigde dermatoloog met wie hij een lieftallige dochter van acht heeft, Susana, en een prettig appartement bewoont.

Maar dit is slechts de uitgangssituatie. Als in een omgekeerde bildungsroman schetst Theunissen hoe bij dit eigentijdse personage de onrust toeslaat. De normaliteit van zijn bestaan is tot een beklemming verworden:

“Kan hij concluderen dat normaliteit het vermogen van de mens is om afgericht te worden? Om de wildheid op te geven en getemd te worden? Zich laten africhten heeft hij zeker en nooit – uiteraard nooit – heeft hij geprobeerd om uit te breken, omdat uitbreken zijns inziens belachelijk, gênant en onmogelijk is.”
In introspectieve passages als deze verwoordt Theunissen het merkwaardige gevoel van onbehagen dat deze man beheerst. Het blijft echter niet bij zulke overpeinzingen: in het tweede deel van de roman ‘breekt’ Horacio toch daadwerkelijk uit zijn burgelijke, vertrouwde cocon. Hij verlaat zijn gezin en gaat reizen, van zijn woonplaats Tübingen via Parijs naar Patagonië.

De roman wordt vanaf hier een soort road movie die Horacio en de lezer meevoert naar een onbekende bestemming. Zonder enige compassie, eerder ironisch, registreert Theunissen Horacio’s doelloze vluchtgedrag. Rationeel valt het niet te begrijpen: hij maakt zijn gezin kapot en leeft enkel nog naar het einde van zijn spaargeld toe. Het levert een even intens als bevreemdend portret op van deze moderne mens.

Labels: , ,

woensdag 11 november 2009

AKO voor Mortiers Godenslaap

Erwin Mortier heeft gisteren de AKO Literatuurprijs in ontvangst mogen nemen voor zijn grootse oorlogsroman Godenslaap. Zoals ik in juli al op dit weblog schreef, tast Mortier hierin de grenzen van het vertelbare af: hoe kan zo'n onafzienbare gebeurtenis als de Eerste Wereldoorlog literair verbeeld worden? De vertelster, Helena Dumont, dient ervoor door te dringen tot de diepste aardlagen van Flanders' Fields en onze taal.

Een terechte bekroning voor een van de meest onverschrokken chroniqueurs van Belgiës woelige geschiedenis!

Labels: , ,

dinsdag 10 november 2009

Taalorigami

Ruth Lasters, Vouwplannen (Meulenhoff/Manteau, 2007).

Zondag 15 november a.s. is Ruth Lasters een van de centrale gasten in Het Penhuis (Kortrijk). "Woorden moeten niet later iets willen worden", lezen we in Vouwplannen. Evenmin als kinderen een welbepaalde toekomst voor zich zouden moeten zien blijven woorden het beste dromen, zonder vaste betekenis of bestemming. Deze opvatting is typerend voor het taalgebruik in alle 39 gedichten uit Lasters' debuutbundel.

Het gaat de dichteres vooreerst om de taal zelf, de vorm en klank van de woorden, en wat deze vermogen op te roepen, en niet zozeer om een definitief begrip ervan dat slechts beperkend werkt:

Ga voor een winkelrek met garen staan en beeld je in
het grijze is: alles wat je ooit gezegd hebt en gehoord, borduurbaar op het netvlies van
wie ook je wil dwingen tot te werkelijk begrijpen.
Het afwikkelen van de 'garen' waaruit de taal bestaat moet, anders dan de draad van Ariadne, de dichteres niet de weg uit het labyrint. In overeenstemming met titels als 'Doorgang', 'Scheur' en 'Trap' verschaffen woorden haar integendeel telkens weer nieuwe sluiproutes en kronkelpaden. Zo leidt ze de lezer naar nog onbetreden imaginaire plaatsen, bijvoorbeeld naar die kamer die "voor mens ergens [zou] moeten groeien: één millimeter nieuwe ruimte / als rente voor elk waardevol voorbij moment."

Niet alleen de fragmentarische opbouw van de gedichten en de suggestieve weglatingen maar ook de originele, vaak wat absurde en toch altijd concrete beelden van Lasters nodigen de lezer ertoe uit geijkte denkpatronen los te laten: appels worden opeengestapeld in het lichaam van de geliefde, een traptrede fungeert als spatiebalk annex springplank, er zijn badkamers met kunstgras tussen de tegels enz. In deze bundel kan het allemaal omdat de spreker wil geloven in de vouwbaarheid van taal en werkelijkheid: "onmogelijk / en mogelijk grenzen soms zo dicht aan mekaar, dat het slechts kwestie schijnt van even opnieuw / onderhandelen." En wie hier schade van mocht ondervinden weet waarheen hij of zij zich moet wenden, want "Mogelijke gevolgen zijn volstrekt verhaalbaar op / de dichter."

Labels: , ,

woensdag 30 september 2009

Streuvels en de avant-garde

IngooigemTerugblikkend op zijn leven vertelt Stijn Streuvels (1871-1969), in Ingoyghem, hoe hij in de loop van de jaren twintig de opkomst van een geheel nieuwe kunst begon waar te nemen. Dit was hem met name opgevallen tijdens het banket ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig jubileum van het literaire tijdschrift Van nu en straks, toen de rede van de bedaagde voorman August Vermeylen onthaald werd op gefluit van een groep jonge snaken.

De dynamiek en vormvernieuwing van schrijvers als Paul Van Ostaijen deden Streuvels beseffen dat de volgende generatie, met een eigentijdse kijk op de dingen, was opgestaan. Het is merkwaardig om deze beruchte episode uit de literatuurgeschiedenis over het aantreden van de avant-gardes verteld te zien vanuit het standpunt der 'ouderen'. Veel bekender zijn immers de versies van de avant-gardistische kunstenaars zelf, doorspekt met de beeldenstormersretoriek van adolescenten die het helemaal anders willen aanpakken dan hun ouwelui.

Overigens lijkt Streuvels' kennismaking met deze esthetische revolutie na 1920 best laat te komen. Of is hij, schrijvend aan zijn memoires in de vroege jaren vijftig, eerder door hem opgemerkte voortekenen vergeten te vermelden? Per slot van rekening vervaardigden Picasso en Braque reeds in 1907 kubistische schilderijen, verklaarde het eerste futuristische manifest uit 1909 al dat alle musea het beste meteen met de grond gelijk gemaakt konden worden en dateerde de voor de beau monde zo shockerende Le sacre du printemps waarin een maagd zich in een orgiastisch lenteritueel dood danst van 1913. Of dit Streuvels allemaal ontgaan is valt te betwijfelen.

Anderzijds klopt het wel dat deze avant-gardistische ideeën pas na WO I in Nederland en Vlaanderen werkelijk ingang vonden, en dan nog op vrij beperkte schaal. Dit zal ongetwijfeld meerdere oorzaken gehad hebben, maar voor Vlaanderen geldt vast en zeker dat de nog kleine culturele elite destijds erg behoudend van signatuur was. Thans een van de welvarendste regio's van Europa, ook qua opleidingsniveau, behoorde Vlaanderen toentertijd tot de achterlijkste van het continent. Dat durven we wel eens te vergeten. Het herlezen van de weinige verlichte geesten van toen, zoals Streuvels, kan ons geheugen wellicht helpen opfrissen.

Labels: ,

donderdag 23 juli 2009

Vormeloze zee van modder en taal

Ieper in 1916Erwin Mortier, Godenslaap (Amsterdam: De Bezige Bij, 1998).

Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten. Nu, omstreeks de millenniumwisseling, is ze zelf bijna een eeuw oud en maakt zich op voor de laatste pagina's. Terwijl ze het "inademen van de tijd" luider hoort dan ooit tevoren, "die lichtjaren lange ademstoot, die zich voortstuwt door spelonken van calcium en bot", hoopt ze evenwel "vlak voor ik volledig verdwijn", het bestaan zelf te overschouwen "alsof ik eruit losgeweekt ben." Dat zal slechts al schrijvend kunnen, want met deze bezigheid is Helena dusdanig vergroeid dat ze de weinig wakende uren die haar resten nog steeds met een schrijfplank op de knokige knieën doorbrengt. Lees verder.

Met de pen als ploegschaar wil ze nog één keer in de aardlagen van het verleden wroeten: "Dan zou ik terugblikken (...) op de restanten die het ploegijzer naar boven heeft gewoeld: doorroeste emmers, stukken prikkeldraad, botsplinters, bedspijlen, een blindganger, een trouwring." Wanneer we dit op de eerste bladzijde van het boek lezen weten we nog niet dat dit schijnbare allegaartje aan bodemschatten allerminst een toevallige oogst is. Geleidelijk aan wordt immers duidelijk dat ze in de vochtige klei van de Belgische Westhoek aan het graven is gegaan: de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Een aarde die oververzadigd is geraakt, niet alleen van de uiteengereten veelal nooit teruggevonden lichamen van "Duizend en duizend soldaten / En nog duizend en nog duizend soldaten", maar ook van de tonnen munitie die er in die vier jaar over uitgestort zijn. In 2007 nog verloor een landbouwer het leven toen hij in zijn akker op een onontplofte granaat stuitte; vooralsnog het laatste slachtoffer van de Groote Oorlog. Dit geeft te denken hoeveel ook toekomstige generaties nog te lijden zullen hebben van actuele conflicten als die in Afghanistan, Libanon of Congo.

Een oorlog als die van '14-'18 waarvan alle facetten onafzienbare proporties aannamen laat zich niet zo eenvoudig toedekken door het stof van de tijd. Of het nu de geografische verspreiding van de vijandelijkheden betreft - van de IJzer tot de Alpen, van Oost-Pruisen, via Galicië, de Balkan en Turkije tot in de Afrikaanse kolonies en op de oceanen -; de vijfendertig staten en de talloze nationaliteiten die eraan deelnamen; de naar schatting 9 miljoen doden en 21 miljoen gewonden onder wie heel wat burgers; de algehele mobilisatie van mensen en materieel; de massale deportaties en gedwongen tewerkstelling; de inzet van de nieuwste massavernietigingswapens als mitrailleurs, tanks, bommenwerpers en gifgas; het was allemaal zonder precedent en doet ons tot op vandaag duizelen. Dat het onze verbeelding te boven gaat is behalve aan de ontzagwekkende omvang van de eigenlijke strijd wellicht ook te wijten aan de ongrijpbaarheid van zulke astronomische cijfers en overbekende feiten.

Voor de schrijvende Helena echter markeerde de oorlog een dusdanig abrupte verandering in haar eigen leefomstandigheden, dat die periode haar anno 2000 nog scherp voor de geest staat. Noodgedwongen zat ze die vier lange jaren uit in het zomerverblijf van haar bemiddelde familie in Noord-Frankrijk, in feite het geboortehuis van haar moeder, doordat de terugweg naar hun woonplaats Gent ineens werd afgesneden toen de Duitsers in augustus 1914 België binnenvielen. Vanuit het dakraam van dit landhuis zag ze de eindeloze colonnes langs marcheren, een schouwspel dat haar aanvankelijk veeleer bekoorde dan afgrijzen inboezemde. De ontzetting kwam vooreerst met het aanhoudende achtergrondkoor van bulderende kanonnen, mortiervuur en bombardementen. Haar oom, die de boerenfamilies diende in te lichten over het sneuvelen van hun zonen, waarde elke dag steeds langer als een onheilsbode rond in het dorp en moest, soms met tussenpozen van nauwelijks enkele maanden of weken, herhaaldelijk aan hetzelfde huis aankloppen.

De weinige jongens die wel terugkeerden hadden ofwel hun verstand verloren ofwel meerdere ledematen, zodat ze de ruwe boerenstiel nooit meer zouden kunnen uitoefenen. Maar elke rang en stand negerend hadden de loopgraven ook Helena's broer, Edgard, niet vrijuit laten gaan. Zwaar gehavend, mank en met littekens overdekt, vertelde hij haar later met merkbare tegenzin over het vegeteren in het slijk: "We aten grond en we spraken grond, en we scheten grond en we waren grond, een zak botten en vel met grond gevuld."

Tegenwoordig wensen we ons WO I vooral als een waanzinnige slachtpartij te herinneren, een collectieve ultranationalistische zinsbegoocheling. Op die manier blijven lastige vragen als waarom of hoe men dit bloedvergieten – gemiddeld meer dan 6000 doden per dag! – vier jaar lang heeft kunnen tolereren, op een veilige afstand, als het ware buiten het bereik van ieder rationeel verklaringsmodel. Niettemin hebben historici als Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker, in onder meer Retrouver la guerre 14-18, en in het bijzonder voor België Sophie De Schaepdrijver, in haar standaardwerk De Groote Oorlog, aangetoond hoe velen destijds de oorlog wel degelijk als zinvol ervoeren: een pijnlijk maar noodzakelijk offer op de weg naar een betere, vreedzamere wereld.

Het is een grote verdienste van Mortier dat hij, naar analogie met zulke studies, in zijn weergave allerminst afbreuk doet aan de ambivalente gevoelens waarmee de betrokkenen het conflict begroetten en beleefden. Naast de gruwel, de verschrikkingen en mensonterende toestanden is er in Godenslaap evenveel plaats voor de gemeenschappelijke hoop, de evidentie waarmee mannen dienstnamen, vrouwen hen moreel ondersteunden en verzorgden, kortom, voor de nieuwe routines waardoor de hele machinerie kon blijven malen. Wat zo ontluisterend werkt is dat we hierdoor geconfronteerd worden met het feit dat ook deze oorlog, in al zijn barbarij en alledaagsheid, puur mensenwerk was.

Een treffend voorbeeld hiervan is de episode waarin Helena en haar verloofde, een Britse soldaat en oorlogsfotograaf, in de ruïnes van een Ieperse villa voor de eerste maal onhandig de liefde bedrijven terwijl de stad hevig onder vuur ligt. Te midden van het blinde tomeloze geweld spreekt uit dit gestuntel een schier onnoembare tederheid, alsook een onverbrekelijk verzet tegen de losgeslagen vernietigingsdrang. Dit ontroerende tafereel doet denken aan een soortgelijke bedscène, een wereldoorlog later, uit Graham Greenes The end of the affair. Wanneer er een bom inslaat in het Londense huis waar Sarah en haar minnaar Bendrix zich op dat moment bevinden, vreest ze danig voor zijn leven. Sarah zweert God ogenblikkelijk een einde te zullen maken aan haar buitenechtelijke affaire met Bendrix, als mocht blijken dat de klap haar geliefde niet gedood heeft. Bij Greene vormt deze eed het ontstekingsmechanisme van een hartverscheurend drama, het begin van een driehoeksverhouding waarbij de Heer zich als jaloerse derde tussen Sarah en Bendrix in manoeuvreert.

In Godenslaap heeft die sleutelpassage een meer symbolische functie. Het majestueuze pand waar de vrijpartij zich afspeelt getuigt namelijk nog, in weerwil van alle verwoestingen die er zijn aangericht, van de vooroorlogse burgerlijke chic. Een protserige grandeur waarvan Helena, het kind van een welgestelde boerendochter en een succesvolle handelaar in ijzerwaren, tot voor kort ook zelf de bitterzoete geneugten heeft mogen smaken. Uit ondervinding weet ze dat deze megalomanie placht te steunen op een schijnheilige moraal, die de meid naar het souterrain of muffe zolderkamertjes verwees maar een oortje toekneep wanneer diezelfde huishoudster in het holst van de nacht dronken thuiskwam en bij de zoon des huizes in bed kroop, of die de stad onderverdeelde in wijken waar gegoede lieden als zij overdag wel en beter niet gezien konden worden. Thans tot puin gereduceerd staat deze Ieperse burgerwoning voor de neergang van een gehele klasse, daarmee de vervallen aanblik van het Noord-Franse landhuis voorafspiegelend die Helena zal wachten als ze het decennia na de oorlog opnieuw zal bezoeken.

De wereld van haar ouders, later overigens ten onrechte geïdealiseerd als de belle époque, is definitief ten grave gedragen: haar vader die in Gent was gebleven kwam berooid uit de oorlog; de meid is er met de ingekwartierde Duitse soldaat vandoor; Helena is getrouwd met haar tommy. Met lede ogen heeft haar imposante moeder bovendien moeten aanzien hoe haar dochter zich geenszins conformeerde aan de conventies van de bourgeoisie, aan de orde der dingen zoals deze volgens fatsoenlijke burgerlui behoorde te zijn. Anders dan een jonge dame van stand betaamde bleef Helena te lang een dichterlijke onpragmatische natuur:

"Ze wilde in mij het ongeduld vestigen dat zich tussen ons en de onuitsprekelijkheid van de wereld en zijn dingen, die we als kind verkennen met de vleugels van Hermes om onze enkels, in wringt en ons noopt tot een compromis (...) Op een dag moeten we (...) de wereld in zijn uitwendigheid aanvaarden en er voor het gemak van uitgaan dat alle dingen zichzelf zijn (...) zoals de kip kakelt, hoort de mens vanzelf te spreken."


Dat 'vanzelfspreken' zal Helena nooit lukken, omdat voor haar de gapende kloof tussen de woorden en de dingen, zoals tussen het woord 'oorlog' en het ontzaglijke fenomeen waarop het slaat, nooit afdoende gedicht kan worden. Opziend naar de monumentale gestalte van haar reeds lang overleden moeder, die haar geregeld in haar dromen opzoekt, tekent deze vereenzaamde bedlegerige vrouw daarom haar herinneringen op, in het besef dat na haar spoedige dood de hele verzameling schriften in de tedere handen van Rachida zal belanden, "de engel zonder vleugels", het Noord-Afrikaanse meisje dat haar dag in dag uit verzorgt. "Wij zijn muizen die in het looprad van het noodlot trappelen en we kunnen het tempo aan of niet", constateert ze nuchter, maar door haar verhaal te vertellen en zodoende haar plekje in de keten der generaties op te eisen probeert ze in ieder geval op haar manier tegen "de wind van de geschiedenis" op te tornen. Zo levert zij haar achterhoedegevecht tegen de onverschilligheid van de grote geschiedenis.

Hierdoor krijgt Helena iets van de frontsoldaat die innerlijk protesteert tegen de ongevoeligheid van de modder, de gulzigheid van moeder Aarde, waarin hij moet zien te overleven. "Niets kan een mens zo boos doen voelen", meent Edgard, "als haar stuiptrekkingen wanneer ze uit haar slaap ontwaakt. Je voelt haar roerselen door je darmen trekken. (...) Je bent een homp half verteerd vlees in de onderbuik van de wereld, voortgestuwd door zijn peristaltiek. (...) niet meer dan een vlies van huid en haar tussen de vormloze materie buiten en de hunkerende vormloosheid in je binnenste." Al scheppend in (de) taal heeft de schrijfster niet alleen allerlei brokstukken van het verleden opgedolven, ook graaft ze naar haar individualiteit in die woordenbrij. "Als je opschrijft wat ik vertel, zul je het zien", grijnst haar broer, "Je zult je eigen schuilhol willen uitsparen in die massieve vormloze zee."

Labels: , , ,

donderdag 16 juli 2009

Toen de toerist nog een reiziger was

Cyriel Buysse, Reizen van toen: met de automobiel door Frankrijk (Antwerpen-Amsterdam: Manteau, 1992).

Het massatoerisme zoals we dat tegenwoordig kennen is een vrij recent verschijnsel, dat spreekt. Recreatief reizen wordt slechts dan mogelijk wanneer je in ruime mate over vrije tijd beschikt, na in je basisbehoeften te hebben voorzien nog een aardige duit te besteden hebt en de infrastructuur, zowel de accommodatie als de transportmiddelen, het ook nog toelaat. Aan deze voorwaarden werd voor grote delen van de bevolking in het westen en Japan feitelijk pas voldaan met de komst van de welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog, het almaar toenemende autobezit, de verdere commercialisering van het treinverkeer en later de luchtvaart, de expansie van de toeristische sector (horeca, reisbureaus, VVV etc.). Lees verder.

Daarnaast hebben de democratisering van onderwijs en media onrechtstreeks bijgedragen aan de verhoogde reislust, doordat iedereen tot aan de laagste sociale klassen toe plots in contact kon komen met vreemde landen, talen en culturen. Eind jaren twintig merkte de Spaanse filosoof José Ortega y Gasset in De opstand der horden reeds op dat het moderne, geïnformeerde individu hierdoor in de voortdurende aanwezigheid leeft van ruimtelijk ver verwijderde streken en lang vervlogen tijden. "Nauwelijks een jaar geleden," vertelt Ortega y Gasset, "volgden de inwoners van Sevilla, in de populaire kranten, uur voor uur de belevenissen van een groepje poolreizigers, wat betekent
dat er op de hete bodem van de Andalusische vlakte kruiende ijsschotsen dreven."

Dit is nog steeds een treffend beeld voor de zich kosmopoliet wanende mens van vandaag, imaginair vertrouwd met de hele planeet. Het belangrijkste verschil met Ortega y Gassets doorsnee burger bestaat echter hierin dat deze zich nog noodgedwongen moest beperken tot zijn verbeeldingskracht, terwijl wij er meermaals per jaar op uit kunnen trekken om de in tv-beelden, vakantiebrochures en websites voorgetoverde wereld ook aan den lijve te ondervinden.

Degenen die zich dit aan het begin van de twintigste eeuw al wel konden veroorloven behoorden tot de aristocratie of de gegoede burgerij. Dat geldt ook zeker voor Cyriel Buysse die als zoon van een bemiddeld cichoreifabrikant danig in de slappe was zat, zodat hij zich zijn leven lang ongestoord behalve aan de literatuur ook aan reizen kon wijden. Buysse was een fervent 'automobilist', een feit waarvan de bijzondere vermelding paste in een tijd dat autorijden nog als een kunst of volwaardig beroep werd bejegend. Chaufferen diende in de gepaste outfit te gebeuren, met handschoenen en stofbril, zoals Pad die karikaturaal genoeg ook draagt in Kenneth Grahames sprookje The wind in the willows, zodra hij er in zijn megalomanie van droomt zelf achter het stuur te kruipen.

In deze bundel, die reportages bevat over meerdere reizen die Buysse tussen 1911 en 1932 door Frankrijk maakte, zien we de auteur zelf of diens goede vriend Maurice Maeterlinck, met wie hij vaak de voorbank deelde, dan ook geregeld in soortgelijke uitdossing aantreden. Het was immers ook een gevecht tegen de elementen, daar behalve de voorruit niets anders beschutting bood aan de inzittenden. Op geamuseerde toon beschrijft Buysse bijvoorbeeld hoe zijn 'drie dames', waarschijnlijk zijn stiefdochters, zich tijdens hun 'tour de France' stelselmatig begraven onder stapels jassen, dekens, sjaals en hoeden.

Ondanks het nog geringe comfort verhieven de hoge kostprijs, het onderhoud evenals het loon voor de geüniformeerde chauffeur de automobiel ogenblikkelijk tot een exclusief bezit, een statussymbool. Dat blijkt onder meer uit de prachtige roman Ragtime van E.L. Doctorow. Terwijl de succesvolle illusionist Houdini – de boeienkoning – zich rond laat rijden door New York, moet de zwarte bestuurder Coalhouse Walker met lede ogen aanzien dat racistische brandweerlieden zijn gloednieuwe wagen naar de vernieling helpen. Een 'neger' werd niet geacht een eigen auto te hebben, net zomin als een vrouw er een mocht besturen. Over Gertrude Stein schreef een progressief Frans tijdschrift ooit dat ze niet alleen boeken kon schrijven, maar 'bovendien' haar bestelwagen wonderwel door het drukke Parijse verkeer wist te manoeuvreren...

Hoewel Buysse zich getuige zijn geëngageerde romans terdege bewust was van zijn eigen bevoorrechte positie, vestigt hij er in deze reisverhalen zelden of nooit de aandacht op. Niettemin zijn de klassenverschillen onmiskenbaar, wanneer de schrijver Gaston, een jongen uit zijn geboortedorp Nevele – nabij Gent -, meeneemt als chauffeur. Behalve aan de onbehouwen manieren van deze knaap uit het volk die om de haverklap tot de meest komische situaties leiden, merk je dat vooral aan de sociale taalgrens die kenmerkend was voor het toenmalige Vlaanderen en ook dwars door de auto loopt. Terwijl Buysse zich met zijn medepassagiers, enkel aangeduid met "de Schilder" en "de Filosoof", in het Frans onderhoudt, spreekt en verstaat Gaston alleen maar Gents dialect. Gelukkig dat 'menier Cyriel' evenwel nooit minachtend heeft neergekeken op het Nederlands, dat destijds voor Vlaamse burgerlui nog altijd veruit de mindere was van de cultuurtaal Frans, want anders hadden we een van onze allergrootste vertellers moeten missen.

Maar ik dwaal af. Dat Ragtime opent met Houdini's autopech, en wel een imploderende motor, strookt ook helemaal met alle technische ellende die Buysse onderweg steevast te verduren krijgt. Op de vaak nog provisorische wegen regent het lekke banden. Ofschoon de bestuurder van dienst doorgaans een uur voor vertrek onder de motorkap verdwijnt en ook na aankomst in het hotel 's avonds een poosje sleutelt, kan de machinerie het alsnog op ieder moment laten afweten. Laconiek rapporteert hij hoe ze bij zo'n gelegenheid de defecte auto door een span boerenpaarden naar het dichtstbijzijnde stationnetje
moeten laten slepen om hem op transport te zetten; dat was meteen ook het einde van de tocht…

Hoezeer Buysse de vrijheid om te gaan en te staan waar je wil die de auto hem schenkt ook bij herhaling erkent, zijn nuchtere geestige kijk op de dingen verhindert elke vorm van futuristisch gedweep over snelheid of de mens-machine. Hoewel dit nieuwerwetse vervoermiddel ook bij hem nog een volwaardig personage mag heten, speelt het nooit de hoofdrol als in de poëzie van Marinetti of Bordewijks novelle Knorrende beesten. Het stelt hem voornamelijk in staat om frequent naar het zuiden af te zakken, en Frankrijk kriskras doorkruisend de landschappen van Bourgondië, de Provence, de Landée of Normandië en steden als Parijs, Dijon, Lyon of Nice in fijne sfeertekeningen te vangen. Omdat Buysses Nederlands bovendien even fris is gebleven als dat van Elsschot of Du Perron, kun je Reizen van toen ook vandaag nog met veel genoegen lezen als een alternatieve reisgids, een relativerend verslag van een der eerste toeristen.

Labels: , , ,