woensdag 11 november 2009

AKO voor Mortiers Godenslaap

Erwin Mortier heeft gisteren de AKO Literatuurprijs in ontvangst mogen nemen voor zijn grootse oorlogsroman Godenslaap. Zoals ik in juli al op dit weblog schreef, tast Mortier hierin de grenzen van het vertelbare af: hoe kan zo'n onafzienbare gebeurtenis als de Eerste Wereldoorlog literair verbeeld worden? De vertelster, Helena Dumont, dient ervoor door te dringen tot de diepste aardlagen van Flanders' Fields en onze taal.

Een terechte bekroning voor een van de meest onverschrokken chroniqueurs van Belgiës woelige geschiedenis!

Labels: , ,

donderdag 23 juli 2009

Vormeloze zee van modder en taal

Ieper in 1916Erwin Mortier, Godenslaap (Amsterdam: De Bezige Bij, 1998).

Schrift na schrift heeft Helena Demont, de ik-verteller van Godenslaap, haar leven lang gevuld met mijmeringen en gedachten. Nu, omstreeks de millenniumwisseling, is ze zelf bijna een eeuw oud en maakt zich op voor de laatste pagina's. Terwijl ze het "inademen van de tijd" luider hoort dan ooit tevoren, "die lichtjaren lange ademstoot, die zich voortstuwt door spelonken van calcium en bot", hoopt ze evenwel "vlak voor ik volledig verdwijn", het bestaan zelf te overschouwen "alsof ik eruit losgeweekt ben." Dat zal slechts al schrijvend kunnen, want met deze bezigheid is Helena dusdanig vergroeid dat ze de weinig wakende uren die haar resten nog steeds met een schrijfplank op de knokige knieën doorbrengt. Lees verder.

Met de pen als ploegschaar wil ze nog één keer in de aardlagen van het verleden wroeten: "Dan zou ik terugblikken (...) op de restanten die het ploegijzer naar boven heeft gewoeld: doorroeste emmers, stukken prikkeldraad, botsplinters, bedspijlen, een blindganger, een trouwring." Wanneer we dit op de eerste bladzijde van het boek lezen weten we nog niet dat dit schijnbare allegaartje aan bodemschatten allerminst een toevallige oogst is. Geleidelijk aan wordt immers duidelijk dat ze in de vochtige klei van de Belgische Westhoek aan het graven is gegaan: de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Een aarde die oververzadigd is geraakt, niet alleen van de uiteengereten veelal nooit teruggevonden lichamen van "Duizend en duizend soldaten / En nog duizend en nog duizend soldaten", maar ook van de tonnen munitie die er in die vier jaar over uitgestort zijn. In 2007 nog verloor een landbouwer het leven toen hij in zijn akker op een onontplofte granaat stuitte; vooralsnog het laatste slachtoffer van de Groote Oorlog. Dit geeft te denken hoeveel ook toekomstige generaties nog te lijden zullen hebben van actuele conflicten als die in Afghanistan, Libanon of Congo.

Een oorlog als die van '14-'18 waarvan alle facetten onafzienbare proporties aannamen laat zich niet zo eenvoudig toedekken door het stof van de tijd. Of het nu de geografische verspreiding van de vijandelijkheden betreft - van de IJzer tot de Alpen, van Oost-Pruisen, via Galicië, de Balkan en Turkije tot in de Afrikaanse kolonies en op de oceanen -; de vijfendertig staten en de talloze nationaliteiten die eraan deelnamen; de naar schatting 9 miljoen doden en 21 miljoen gewonden onder wie heel wat burgers; de algehele mobilisatie van mensen en materieel; de massale deportaties en gedwongen tewerkstelling; de inzet van de nieuwste massavernietigingswapens als mitrailleurs, tanks, bommenwerpers en gifgas; het was allemaal zonder precedent en doet ons tot op vandaag duizelen. Dat het onze verbeelding te boven gaat is behalve aan de ontzagwekkende omvang van de eigenlijke strijd wellicht ook te wijten aan de ongrijpbaarheid van zulke astronomische cijfers en overbekende feiten.

Voor de schrijvende Helena echter markeerde de oorlog een dusdanig abrupte verandering in haar eigen leefomstandigheden, dat die periode haar anno 2000 nog scherp voor de geest staat. Noodgedwongen zat ze die vier lange jaren uit in het zomerverblijf van haar bemiddelde familie in Noord-Frankrijk, in feite het geboortehuis van haar moeder, doordat de terugweg naar hun woonplaats Gent ineens werd afgesneden toen de Duitsers in augustus 1914 België binnenvielen. Vanuit het dakraam van dit landhuis zag ze de eindeloze colonnes langs marcheren, een schouwspel dat haar aanvankelijk veeleer bekoorde dan afgrijzen inboezemde. De ontzetting kwam vooreerst met het aanhoudende achtergrondkoor van bulderende kanonnen, mortiervuur en bombardementen. Haar oom, die de boerenfamilies diende in te lichten over het sneuvelen van hun zonen, waarde elke dag steeds langer als een onheilsbode rond in het dorp en moest, soms met tussenpozen van nauwelijks enkele maanden of weken, herhaaldelijk aan hetzelfde huis aankloppen.

De weinige jongens die wel terugkeerden hadden ofwel hun verstand verloren ofwel meerdere ledematen, zodat ze de ruwe boerenstiel nooit meer zouden kunnen uitoefenen. Maar elke rang en stand negerend hadden de loopgraven ook Helena's broer, Edgard, niet vrijuit laten gaan. Zwaar gehavend, mank en met littekens overdekt, vertelde hij haar later met merkbare tegenzin over het vegeteren in het slijk: "We aten grond en we spraken grond, en we scheten grond en we waren grond, een zak botten en vel met grond gevuld."

Tegenwoordig wensen we ons WO I vooral als een waanzinnige slachtpartij te herinneren, een collectieve ultranationalistische zinsbegoocheling. Op die manier blijven lastige vragen als waarom of hoe men dit bloedvergieten – gemiddeld meer dan 6000 doden per dag! – vier jaar lang heeft kunnen tolereren, op een veilige afstand, als het ware buiten het bereik van ieder rationeel verklaringsmodel. Niettemin hebben historici als Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker, in onder meer Retrouver la guerre 14-18, en in het bijzonder voor België Sophie De Schaepdrijver, in haar standaardwerk De Groote Oorlog, aangetoond hoe velen destijds de oorlog wel degelijk als zinvol ervoeren: een pijnlijk maar noodzakelijk offer op de weg naar een betere, vreedzamere wereld.

Het is een grote verdienste van Mortier dat hij, naar analogie met zulke studies, in zijn weergave allerminst afbreuk doet aan de ambivalente gevoelens waarmee de betrokkenen het conflict begroetten en beleefden. Naast de gruwel, de verschrikkingen en mensonterende toestanden is er in Godenslaap evenveel plaats voor de gemeenschappelijke hoop, de evidentie waarmee mannen dienstnamen, vrouwen hen moreel ondersteunden en verzorgden, kortom, voor de nieuwe routines waardoor de hele machinerie kon blijven malen. Wat zo ontluisterend werkt is dat we hierdoor geconfronteerd worden met het feit dat ook deze oorlog, in al zijn barbarij en alledaagsheid, puur mensenwerk was.

Een treffend voorbeeld hiervan is de episode waarin Helena en haar verloofde, een Britse soldaat en oorlogsfotograaf, in de ruïnes van een Ieperse villa voor de eerste maal onhandig de liefde bedrijven terwijl de stad hevig onder vuur ligt. Te midden van het blinde tomeloze geweld spreekt uit dit gestuntel een schier onnoembare tederheid, alsook een onverbrekelijk verzet tegen de losgeslagen vernietigingsdrang. Dit ontroerende tafereel doet denken aan een soortgelijke bedscène, een wereldoorlog later, uit Graham Greenes The end of the affair. Wanneer er een bom inslaat in het Londense huis waar Sarah en haar minnaar Bendrix zich op dat moment bevinden, vreest ze danig voor zijn leven. Sarah zweert God ogenblikkelijk een einde te zullen maken aan haar buitenechtelijke affaire met Bendrix, als mocht blijken dat de klap haar geliefde niet gedood heeft. Bij Greene vormt deze eed het ontstekingsmechanisme van een hartverscheurend drama, het begin van een driehoeksverhouding waarbij de Heer zich als jaloerse derde tussen Sarah en Bendrix in manoeuvreert.

In Godenslaap heeft die sleutelpassage een meer symbolische functie. Het majestueuze pand waar de vrijpartij zich afspeelt getuigt namelijk nog, in weerwil van alle verwoestingen die er zijn aangericht, van de vooroorlogse burgerlijke chic. Een protserige grandeur waarvan Helena, het kind van een welgestelde boerendochter en een succesvolle handelaar in ijzerwaren, tot voor kort ook zelf de bitterzoete geneugten heeft mogen smaken. Uit ondervinding weet ze dat deze megalomanie placht te steunen op een schijnheilige moraal, die de meid naar het souterrain of muffe zolderkamertjes verwees maar een oortje toekneep wanneer diezelfde huishoudster in het holst van de nacht dronken thuiskwam en bij de zoon des huizes in bed kroop, of die de stad onderverdeelde in wijken waar gegoede lieden als zij overdag wel en beter niet gezien konden worden. Thans tot puin gereduceerd staat deze Ieperse burgerwoning voor de neergang van een gehele klasse, daarmee de vervallen aanblik van het Noord-Franse landhuis voorafspiegelend die Helena zal wachten als ze het decennia na de oorlog opnieuw zal bezoeken.

De wereld van haar ouders, later overigens ten onrechte geïdealiseerd als de belle époque, is definitief ten grave gedragen: haar vader die in Gent was gebleven kwam berooid uit de oorlog; de meid is er met de ingekwartierde Duitse soldaat vandoor; Helena is getrouwd met haar tommy. Met lede ogen heeft haar imposante moeder bovendien moeten aanzien hoe haar dochter zich geenszins conformeerde aan de conventies van de bourgeoisie, aan de orde der dingen zoals deze volgens fatsoenlijke burgerlui behoorde te zijn. Anders dan een jonge dame van stand betaamde bleef Helena te lang een dichterlijke onpragmatische natuur:

"Ze wilde in mij het ongeduld vestigen dat zich tussen ons en de onuitsprekelijkheid van de wereld en zijn dingen, die we als kind verkennen met de vleugels van Hermes om onze enkels, in wringt en ons noopt tot een compromis (...) Op een dag moeten we (...) de wereld in zijn uitwendigheid aanvaarden en er voor het gemak van uitgaan dat alle dingen zichzelf zijn (...) zoals de kip kakelt, hoort de mens vanzelf te spreken."


Dat 'vanzelfspreken' zal Helena nooit lukken, omdat voor haar de gapende kloof tussen de woorden en de dingen, zoals tussen het woord 'oorlog' en het ontzaglijke fenomeen waarop het slaat, nooit afdoende gedicht kan worden. Opziend naar de monumentale gestalte van haar reeds lang overleden moeder, die haar geregeld in haar dromen opzoekt, tekent deze vereenzaamde bedlegerige vrouw daarom haar herinneringen op, in het besef dat na haar spoedige dood de hele verzameling schriften in de tedere handen van Rachida zal belanden, "de engel zonder vleugels", het Noord-Afrikaanse meisje dat haar dag in dag uit verzorgt. "Wij zijn muizen die in het looprad van het noodlot trappelen en we kunnen het tempo aan of niet", constateert ze nuchter, maar door haar verhaal te vertellen en zodoende haar plekje in de keten der generaties op te eisen probeert ze in ieder geval op haar manier tegen "de wind van de geschiedenis" op te tornen. Zo levert zij haar achterhoedegevecht tegen de onverschilligheid van de grote geschiedenis.

Hierdoor krijgt Helena iets van de frontsoldaat die innerlijk protesteert tegen de ongevoeligheid van de modder, de gulzigheid van moeder Aarde, waarin hij moet zien te overleven. "Niets kan een mens zo boos doen voelen", meent Edgard, "als haar stuiptrekkingen wanneer ze uit haar slaap ontwaakt. Je voelt haar roerselen door je darmen trekken. (...) Je bent een homp half verteerd vlees in de onderbuik van de wereld, voortgestuwd door zijn peristaltiek. (...) niet meer dan een vlies van huid en haar tussen de vormloze materie buiten en de hunkerende vormloosheid in je binnenste." Al scheppend in (de) taal heeft de schrijfster niet alleen allerlei brokstukken van het verleden opgedolven, ook graaft ze naar haar individualiteit in die woordenbrij. "Als je opschrijft wat ik vertel, zul je het zien", grijnst haar broer, "Je zult je eigen schuilhol willen uitsparen in die massieve vormloze zee."

Labels: , , ,

woensdag 22 juli 2009

Verlangen naar de verlaten 'stierenhuid'

BarcelonaJuan Goytisolo, De identiteit (Amsterdam: Meulenhoff: 1985).

Na lange tijd teruggekeerd uit zijn vrijwillige ballingschap in Parijs verkent de documentairemaker Álvaro Mendiola in 1963 Barcelona en omstreken, waar hij gedurende de woelige jaren dertig als zoon van een grootgrondbezitter is opgegroeid. Bladerend door oude fotoalbums en historische atlassen, bestofte brieven en andere documenten uit het familiearchief herlezend, tracht hij de voorgeschiedenis te reconstrueren van het aristocratische geslacht waaruit hij weliswaar is voortgekomen, maar met wiens kwezelachtige kleinburgerlijke moraal hij reeds op jonge leeftijd heeft pogen af te rekenen. Lees verder.

Deze genealogische speurtocht voert hem allereerst terug naar de suikerplantages rond de Cubaanse stad Cienfuegos, omdat daar ver in de negentiende eeuw de oorsprong van het met slavenarbeid vergaarde fortuin van zijn voorouders blijkt te liggen. Als gevolg van de afschaffing van de slavernij, de Cubaanse opstand tegen het Spaanse gezag en de oorlog met de Verenigde Staten waardoor het moederland in 1898 definitief zijn laatste kolonie verloor, heeft een tak van de familie het eiland verlaten om het riante bestaan in Catalonië voort te kunnen zetten. In de eerste decennia van de twintigste eeuw rommelt het echter vervaarlijk in Spanje, daar het de boot van de modernisering heeft gemist: de industrialisatie staat nog in haar kinderschoenen, het grondbezit en de machtsstructuren zijn nog feodaal georganiseerd, terwijl de conservatieve heersende klasse nauwelijks concessies wil doen ten gunste van de verpauperde land- en fabrieksarbeiders. Deze gespannen politieke situatie zal uiteindelijk in 1936 escaleren, uitmondend in het jeugdtrauma van Álvaro en al zijn generatiegenoten, de beruchte Spaanse Burgeroorlog. Bij een wegversperring valt Álvaro's vader in handen van de republikeinen en wordt later gefusilleerd, waarna de Mendiola's de wijk nemen naar Zuid-Frankrijk om er de 'bevrijding' door Franco met wie zij uiteraard sympathiseren, angstig af te wachten.

Nu is het een kwart eeuw later, 'el caudillo' zit stevig in het zadel, voornamelijk dankzij het wijdvertakte gemilitariseerde controleapparaat van de Guardia Civil, een uitgebreid netwerk van verklikkers, systematische repressie en censuur. Zoals zovele studenten zijn ook Álvaro en diens vrienden voorheen actief geweest in het verzet, waarvoor ze vaak een hoge prijs hebben moeten betalen: van marteling, gevangenisstraf tot jarenlang huisarrest. Vanuit Parijs heeft hij nadien samen met andere Spaanse ballingen en geëngageerde Franse intellectuelen subversieve acties op touw proberen te zetten, door middel van pamfletten of films de misstanden onder de dictatuur aan te klagen, maar al bij al heeft het bitter weinig resultaat opgeleverd.

Worstelend met dit beladen verleden moet Álvaro constateren dat hij niet meer weet wie hij is, omdat hij zich afgesneden voelt van iedere collectieve identiteit. Sedert lang vervreemd van de gegoede kringen, het bewind, de officiële versie van de geschiedenis en zijn moedertaal dient hij te achterhalen wat het thans nog kan betekenen Spanjaard te zijn. En desondanks blijft hij verknocht aan de 'stierenhuid' Spanje, zijn ruige landschappen en rijke cultuur, de wijnen, de poëzie, de traditionele visvangst, stierengevechten en talloze dialecten...

In hoeverre is wie je op volwassen leeftijd bent of wordt nog verbonden met je geboorteplaats en zijn historiek, het milieu waarin je bent grootgebracht, de taal die er gesproken werd, de plaatselijke gewoonten en gebruiken? Deze vraag houdt ook mij al een poosje bezig, maar het is zonder meer aan Juan Goytisolo of zijn alter ego Álvaro Mendiola te danken dat de actualiteit en relevantie ervan mij pertinenter toeschijnen dan ooit tevoren. Misschien evolueert het antwoord erop met jou mee en varieert het naargelang de omstandigheden. Toen ik een jaar lang in de Poolse stad Wroclaw verbleef, schreef de dromerige adolescent die ik toen nog was hierover:

"In Polen vond ik tevens de bevestiging van een vermoeden dat ik reeds lang in mijn binnenste dacht te bespeuren, namelijk dat ik mij niet kan identificeren met België of Vlaanderen; hoezeer deze plek mij ook dierbaar is omdat er zoveel mensen leven die mij na aan het hart liggen en ik de cultuur ervan het beste ken en begrijp, toch zitten onze vlaktes niet in mijn bloed. Ik zou op andere plaatsen kunnen wonen, hoewel ik steeds met veel genoegen naar Kortrijk zal terugkeren."


Momenteel komt dit me veel te voortvarend voor. Toch vermoed ik dat veel Vlaamse en Nederlandse jongeren iets gelijkaardigs zouden zeggen, zij het dan in minder hoogdravende frases wellicht... Indien er al bewust over de eigen afkomst en culturele identiteit wordt nagedacht - de macht der gewoonte belet dit immers al te vaak -, doet de meerderheid van hen nogal schamper over zijn omgeving, vooral over de saaiheid en bekrompenheid ervan. Met de exotische reisbestemmingen voor het uitkiezen - ongeacht of het nu om studeren in het buitenland, internationaal vrijwilligerswerk of gewoon vakantie gaat - benadrukt de generatie van na 1980 het liefst haar kosmopolitisme en meertaligheid, haar openheid ten aanzien van 'andere culturen' en het verlangen 'nieuwe mensen' te ontmoeten. Daar is op zich niets mis mee, ware het niet dat dit zogenaamde wereldburgerschap veelal een volslagen desinteresse voor de nationale geschiedenis, of voor de sociale en politieke context in eigen land moet camoufleren. Door jubelend de wereld te omarmen vergeet onze generatie wel eens acht te slaan op wat zich in haar onmiddellijke nabijheid afspeelt.

Nogmaals, ik steek de hand in eigen boezem, want ook ik stel me steeds geregelder de vraag: ken ik dat hele België en zijn cultuur wel zo goed als ik destijds in Polen placht te beweren? Directe aanleiding voor dit zelfonderzoek, als je het zo mag noemen, was behalve Goytisolo's roman ongetwijfeld de diepe politieke malaise waarin België sedert de verkiezingen van juni 2007 almaar verder is weggezakt. Alleen het geloof in de fictie dat een land per slot van rekening is, kan het voortbestaan ervan garanderen. Maar hoe is het eigenlijk met ons geloof in de fictie België gesteld? Heeft dit land nog een toekomst in de hoofden, het handelen, spreken en schrijven van deze onverschillig ogende tieners en twintigers? Heeft dit land wat ons betreft zijn bestaansrecht dan verloren? Of willen we juist dat het behouden blijft en geleidelijk aan hervormd wordt? En wie is die hele Belg, Waal of Vlaming nu helemaal? Stuk voor stuk ingewikkelde kwesties die ik op mijn manier, met behulp van de literatuur dus, graag zou willen belichten en verder uitkienen. Ik stem immers volledig in met de uitspraak van de Amerikaanse dichter Wallace Stevens dat het de maatschappelijke functie is van de poëzie - ik zou zeggen, in ruimere zin, van literatuur - "to help people to live their lives". De literatuur lost geen problemen op, wel helpt ze ons deze genuanceerder te benaderen. In weerwil van de hemelsbrede historische verschillen tussen Goytisolo's Spanje en het huidige democratische België kan zijn fascinerende, gelaagde roman derhalve ook ons nog leren de werkelijke pijnpunten binnen onze eigen context te ontwaren.

Staande op een uitkijkpost hoog boven Barcelona tussen groepjes Duitse, Franse en Italiaanse toeristen, overziet Álvaro in de laatste pagina’s van het boek met een vaste muntkijker de stad en het ommeland. Terwijl de vakantiegangers halve waarheden op de mouw gespeld krijgen door de staatsgidsen, zich verbazen over het voor hen onbeschreven panorama en fluisterend de billen van een langs drentelend meisje taxeren, vult het decor onder zijn blik zich met betekenis en herinnering. Het is misschien de enige positie die de betrokken kunstenaar of cultuurcriticus kan innemen, evaluerend vertellen wat zij of zij waarneemt en het binnen een historisch kader plaatsen zonder evenwel één moment te geloven zelf louter toeschouwer te kunnen zijn. Niettemin kan dit relaas een alternatief bieden, opklinkend tussen de retoriek van de gezagsdragers en het gekakel van de toevallige passanten.

Labels: , , ,