woensdag 30 december 2009

Volwaardige burgers in een multimediale maatschappij

Hierbij dan de volledige tekst van het opiniestuk dat op 25 december in NRC Handelsblad is verschenen. De bovenstaande, oorspronkelijke titel heeft de NRC-redacteur daarbij vervangen door het meer prozaïsche maar wellicht ook informatievere "Dankzij de brailleleesregel op de computer kon ik naar een gewone school, studeren – en straks promoveren". Hoe het ook zij, de integrale tekst van het stuk vind je hier.

Moderne communicatie- en informatietechnologie fungeert geregeld als zondebok voor allerlei maatschappelijke kwalen. Ze zou asociaal gedrag in de hand werken zoals urenlang bellen of hardop muziek luisteren in het openbaar vervoer; of doordat we almaar meer tijd aan ons Facebookprofiel besteden zouden we onze real life-contacten verwaarlozen. Toch hebben diezelfde nieuwe media ook erg veel mogelijk gemaakt, en dat beseffen jonge mensen met een ernstige visuele beperking als ikzelf maar al te goed. Zij helpen het zintuig dat wij missen voor een groot stuk te compenseren, waardoor onze kansen op een volwaardig bestaan in vergelijking met vorige generaties aanzienlijk zijn toegenomen.

Dit geldt eerst en vooral voor het onderwijs. Sinds eind jaren tachtig komen blinde en slechtziende kinderen sneller in een gewone school terecht, daar de computer de dagelijkse interactie tussen docent en leerling sterk heeft vereenvoudigd. In mijn geval betekende dit dat ik kon lezen wat ik typte via een brailleleesregel, een op de pc aangesloten toestelletje waarop de tekst in braille verschijnt, terwijl de leraar ondertussen mee kon kijken op het scherm. In andere gevallen gebeurt de aanpassing van de computer door middel van spraak- of vergrotingssoftware. Maar het principe blijft dat een visueel gehandicapt kind zich hierdoor zonder al te grote moeilijkheden in een normale klasomgeving kan ontwikkelen, en dat is een hele verademing vergeleken met de traditionele 'blindeninstituten'. Althans, zo heb ik het ervaren toen ik de overstap naar het reguliere gymnasium mocht maken en het beschermde milieu van de bijzondere basisschool eindelijk achter me kon laten.

Ook op de arbeidsmarkt oogt de situatie veel gunstiger dan voorheen, doordat steeds meer visueel gehandicapte jongeren met een diploma uit het hoger onderwijs op zak aan de start komen. Deze stijging van het gemiddelde opleidingsniveau hangt ten nauwste samen met de verbeterde informatievoorziening voor onze doelgroep en dan met name de toegang tot internet die de voornoemde hulpmiddelen ons verschaffen. Wat vroeger slechts bij mondjesmaat ingelezen of in braille aangeboden kon worden, ligt nu in één klap voor studenten en professionals ontsloten: kranten, databanken, catalogi, woordenboeken, etcetera. Inmiddels doe ik als promovendus literatuuronderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen, zodat ik nog elke dag geniet van het rondstruinen in schatkamers als de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (www.dbnl.org). Boeken of artikelen die niet digitaal of in audiovorm beschikbaar zijn kan ik overigens ook scannen en zo alsnog lezen.

Daarnaast biedt het internet tevens soelaas wat betreft reisinformatie, ook niet onbelangrijk in deze tijden van ongekende mobiliteit (nou ja, zolang het niet sneeuwt tenminste). Niet alleen zijn uurroosters en reisschema's op websites veel makkelijker raadpleegbaar dan op borden in stationshallen of luchthavens, ook toepassingen als Google Maps en Street View stellen slechtzienden in staat routes op onbekend terrein uit te stippelen. Blinden kunnen dan weer gebruik maken van lovenswaardige initiatieven als www.mobicam.nl/looproutes waarop de Nederlandse stations stap voor stap worden beschreven, zodat men er zich veel vlotter kan oriënteren. Toen ik onlangs op die manier een congres in het Centraal Museum in Utrecht bezocht, waar ik nooit eerder was geweest, ondervond ik nog maar eens hoezeer je zelfstandigheid erdoor vergroot. Ik neem er de langere voorbereidingstijd die zo'n uitje vergt er dan ook graag bij.

Bijgevolg mag de gapende informatiekloof tussen goed- en slechtziende mensen van enkele decennia geleden grotendeels gedicht heten. Maar laten we wel wezen, dit is niet louter te danken aan de nieuwe media. Ook de overheden in Nederland en België, waar ik oorspronkelijk vandaan kom, hebben hiertoe serieuze inspanningen geleverd. Mocht een brailleleesregel bijvoorbeeld niet van staatswege vergoed worden, zouden veel blinden het zoals in de VS moeten doen met enkel de veel goedkopere spraaksoftware. Nog een bewijs van dit handicapvriendelijke beleid is het systematisch toegankelijk maken van openbare ruimtes door geleidelijnen (ribellijnen in de ondergrond) aan te leggen en rateltikkers bij verkeerslichten te installeren. Maar misschien wel nog belangrijker, een dergelijke maatschappij waarin een fysieke beperking niet per se een belemmering hoeft te vormen, creëer je toch alleen door de actieve participatie van zo veel mogelijk betrokkenen: docenten, ambtenaren, werkgevers, (hulpvaardige) mensen op straat, de gehandicapte personen zelf en hun belangengroepen, enzovoorts.

Kortom, ik prijs me gelukkig dat ik na 1980 geboren ben. Natuurlijk kan het altijd nog beter en kun je erover klagen dat sommige informatiebronnen, zoals pinautomaten, of bepaalde publieke gebouwen nauwelijks toegankelijk zijn. En natuurlijk valt het te betreuren dat men vooral in de privésector nog te vaak koudwatervrees toont wanneer een blinde of slechtziende op een vacature reageert. En ja, vooralsnog zijn het met name hogeropgeleiden die aan de bak komen. Desondanks ben ik hoopvol gestemd. Zolang we de huidige sociale koers met respect voor lichamelijke diversiteit niet verlaten, zullen de kinderen die thans met een visuele beperking opgroeien, meer nog dan onze generatie, de vruchten plukken van de digitale revolutie.

Labels: , ,

vrijdag 25 december 2009

Opiniestuk in NRC Handelsblad

In de kersteditie van NRC Handelsblad verscheen van mij een opiniesuk. Het is geschreven als reactie op de vraag 'Zou u in deze tijd willen opgroeien?', en gepubliceerd onder de titel 'Dankzij de brailleleesregel op de computer kon ik naar een gewone school, studeren - en straks promoveren'.

Labels:

maandag 14 december 2009

Vier jaar vol zinnelijke poëzie

In de openingsregels van Poetry and the Fate of the Senses (2002) vat de auteur Susan Stewart het programma voor deze lijvige studie, waaraan ze meer dan tien jaar heeft gewrocht, verrassend eenvoudig samen:

This is a book about poetic making of all kinds, and particularly about such making by means of measured language. My method has been to explain to myself and to the reader a general theory of poetic forms - forms arising out of sense experience and producing, as they make sense experience intelligible to others, intersubjective meaning.
Lees verder.

Eigenlijk wil Stewart in dit boek een zeer basale relatie onderzoeken: die tussen taal en ervaring, maar dan net iets specifieker, die tussen poëzie en zintuiglijke ervaring. In hoeverre is het taalgebruik dat we poëzie noemen gebaseerd op zintuiglijke indrukken en hoe maakt het, op zijn beurt, deze indrukken weer inzichtelijk of begrijpbaar voor anderen? Aldus luidt de kernvraag die Stewart hoopt te beantwoorden in de daaropvolgende 300 pagina's.

Tot op zekere hoogte is dit ook de vraag die aan mijn promotieonderzoek, dat afgelopen september van start is gegaan en vier jaar zal duren, ten grondslag ligt. Geregeld informeren mensen naar het doel van mijn project – want waar hou je je toch al die tijd zo intensief mee bezig? – en dan zou ik hun graag dit citaat van Stewart willen voorlezen. Zij slaagt er immers in om in enkele zinnen een cruciale vooronderstelling te formuleren, namelijk: onze waarnemingen van de wereld maken we door middel van woorden kenbaar aan anderen, met als gevolg dat onze taal en dus ook poëzie in sterke mate bepaald wordt door onze manier van observeren.

Zo heeft veel van onze woordenschat een perceptuele oorsprong waarvan we ons door de conventie niet altijd meer bewust zijn: woorden als ‘visie’, 'ogenschijnlijk', 'gehoorzaam', 'zachtmoedig' of 'verzuurd'; of in geijkte combinaties en uitdrukkingen als een 'scherp' verstand, 'handgemeen' raken, of iets 'door het slijk halen'. Mochten we naast ogen, oren, huid, neus en mond nog andere zintuigen tot onze beschikking gehad hebben, zoals voelsprieten, had dit ongetwijfeld sporen in ons vocabulaire nagelaten.

Omgekeerd oefent ons praten en denken ook een grote invloed uit op onze wijze van waarnemen. Net als veel andere westerse talen doet het Nederlands, bijvoorbeeld, een consequent beroep op visuele termen en metaforen om kenprocessen te beschrijven: tot een bepaald 'inzicht' komen, de waarheid 'onder ogen zien', vanuit 'dit perspectief bekeken' of een list 'doorzien'. Als we van kindsbeen af te horen krijgen dat je 'eerst moet zien eer te geloven' is het inderdaad niet zo verwonderlijk dat we het gezichtsvermogen als belangrijkste en betrouwbaarste bron van kennis 'beschouwen'. Mede hierdoor zijn we nog steeds geneigd foto's en camerabeelden voor een objectieve weergave van de werkelijkheid aan te zien, terwijl we inmiddels wel degelijk weten hoezeer ook beeldmateriaal gemanipuleerd kan worden en immer ideologisch gekleurd is.

Ik heb het vooralsnog alleen maar over taal in het algemeen gehad, maar dat deed ik slechts om de particuliere rol van poëzie in dit proces beter uit te kunnen lichten. Doordat gedichten immers vaak onze aandacht op de werking van taal richten, zorgen ze er ook voor dat de vergeten zintuiglijkheid die in de woorden besloten ligt ook aan de oppervlakte treedt. Door rijm en maat horen we muziek in de verzen doorklinken; het ritme is vaak net als bij dans in staat nog diepere affectievere sensaties op te wekken, terwijl de metaforiek soms heel sterke beelden oproept. Dit betreft de traditionele lyriek, die Stewart met 'measured language' aanduidt.

In mijn proefschrift analyseer ik echter vooral het avant-gardistische werk van drie vroegtwintigste-eeuwse dichters: de Chileen Vicente Huidobro (1893-1948), de Belg Paul Van Ostaijen (1896-1928) en de Amerikaanse Gertrude Stein (1872-1946). Zij experimenteerden voortdurend met allerhande nieuwe stilistische technieken als puur klankspel, fantastische of zelfs absurde beeldspraak, ongewone bladspiegels en typografie. Maar waarom moest de poëzie plots zo drastisch hervormd worden? In essays en schreeuwerige manifesten betoogden ze zelf bij herhaling dat deze innovaties noodzakelijk waren om de poëzie in overeenstemming te brengen met de dynamische tijden waarin ze leefden.

Naar ik vermoed en, dit is wat ik mijn proefschrift wil toetsen, houdt deze verregaande poëziehervorming verband met vele nieuwe perceptuele ervaringen uit die periode. Begin twintigste eeuw kwamen tal van technologische, sociale en culturele ontwikkelingen in een stroomversnelling, zoals de modernisering van transport- en communicatiemiddelen, de verstedelijking, of de opkomst van de massamedia en -cultuur. Deze zouden voor miljoenen mensen de aanblik der dingen ingrijpend wijzigen. Denken we maar aan hoe anders een landschap oogde toen je er ineens tegen hoge snelheid doorheen kon razen of overheen vliegen; aan hoe een stem door telefoon of radio ‘los’ kon komen van de spreker; aan hoe de Hollywood-producties almaar meer kijklustigen naar de gloednieuwe bioscopen lokten en hoe men opging in de grootsteedse drukte vol onbekende gezichten, uitlaatgassen, flarden van gesprekken en gedrang. In mijn proefschrift wil ik derhalve nagaan in hoeverre al deze zintuiglijke prikkels hun weerslag hebben gevonden in de opvallende poëtische vormexperimenten van toen.

Mijn benadering van de relatie poëzie-zintuiglijkheid is cultuurhistorischer bepaald dan die van Susan Stewart. Zij wil veeleer achterhalen wat perceptie en lyriek elkaar door de eeuwen heen te vertellen hadden:

"My emphasis on common human experiences of the senses, facial expression, vocalization of sounds, motion, and rhythm directs the theoretical part of this argument toward, if not universality, a formalism that is meant to reach across various historical and cultural contexts."
Niettemin heeft haar boek me alvast een aardig eind op weg geholpen.

Labels: ,

donderdag 3 december 2009

De wereldlozen

Fernando PessoaDe Spaanse filosoof José Ortega y Gasset heeft in de eerste decennia van de twintigste eeuw herhaaldelijk betoogd dat onze actuele kennis niet langer bij machte is de 'chaos' als één coherent betekenisvol geheel of 'wereld' inzichtelijk te maken. Daarvoor zijn de natuur- en geesteswetenschappen al te zeer gespecialiseerd in disciplines en subdisciplines, en missen ze bovendien zowel een gedeeld uitgangspunt als een gezamenlijk oogmerk. Wat ons nog rest zijn talloze perspectieven die op zich ieder hun bijbehorende 'wereld' organiseren. Lees verder.

Bijvoorbeeld, een macro-econoom zal de huidige financiële crisis geheel anders interpreteren dan een cultuurhistoricus of psycholoog, daar niet alleen hun methodologie verschilt maar ook het eigenlijke feitenmateriaal dat ze relevant achten evenals de soort oplossing die zij beogen uit te werken. Natuurlijk gebeurt er wel veel interdisciplinair onderzoek en wordt wel vaak getracht een consensus te bereiken of kruisbestuiving tussen de vakgebieden te bevorderen.

Mij is het echter hier om te doen dat Ortega's metafoor van het grote aantal perspectieven treffend de typisch moderne ervaring uitdrukt geen totaalbeeld van de ons omringende werkelijkheid te kunnen verwerven. Virginia Woolfs roman Mrs. Dalloway demonstreert dit principe heel mooi in de strikt zintuiglijke betekenis van individuele gezichts- of gehoorpunten die naast elkaar bestaan zonder op enig moment samen te vallen.

Binnen één persoon kunnen zich evenwel ook meerdere onverenigbare perspectieven aandienen en zelfs tot autonome alter ego's uitgroeien, zoals in het geval van Fernando Pessoa waar ze niet alleen een eigen naam krijgen toegewezen maar ook een kenmerkende levensvisie en stijl: de met technologische vernieuwingen dwepende futurist Álvaro de Campos, de stoïcijn en anti-intellectueel Ricardo Reis, de dromerige romanticus Bernardo Soares, etcetera. Of denken we maar aan dat kortverhaal van Jorge Luis Borges waarin hij zijn jongere zelf ontmoet of aan John Banvilles Schijngestalte waarin een succesvolle literatuurwetenschapper een nieuwe biografie construeert om zijn vroegere ik achter te verbergen.

Soms wortelen de met elkaar geconfronteerde standpunten ook in uiteenlopende tijden en culturen, zoals in Le Clézio's Omwentelingen of Melaniia Mazzucco's Vita. Beide zijn het familiegeschiedenissen waarvan de door jaren en ruimte gescheiden protagonisten steeds 'hetzelfde' verhaal op hun manier presenteren.

Enerzijds schijnen deze literaire voorbeelden ver af te liggen van waar Ortega oorspronkelijk op doelde, maar anderzijds geloof ik dat ze elk op zich ook manifestaties zijn van het gebrek aan een collectief gedragen wereldbeschouwing. Het is geen toeval dat ik met twee hedendaagse teksten afrond, want wellicht zijn we vandaag nog 'wereldlozer' dan de meest kritische modernisten. Gelukkig beschikken we op dit blog wel over een afdoende tegengif: het perspectief dat de literatuur ons verschaft.

Labels: ,