Spiegelpaleis der persoonsverwisselingen
Ignacio Padilla, Amphitryon (Amsterdam: De Bezige Bij, 2002).Een lange baard laten groeien, sterk vermageren, zich terugtrekken in een buitenwijk van Belgrado en zich onder een valse naam uitgeven voor een dokter in de alternatieve geneeskunde, dat zijn in een notendop de kunstgrepen die Radovan Karadzic, voormalig Servisch-Bosnisch leider en berucht oorlogsmisdadiger, heeft toegepast om uit handen van de justitie te blijven. Volgens experts had vooral zijn fysieke vermomming beter gekund, met name in een tijd waarin de plastische chirurgie mirakelen vermag te verrichten. Lees verder.
Daarentegen betoonden de deskundigen wel respect voor de manier waarop Karadzic zich een nieuwe overtuigende voorgeschiedenis wist aan te meten. Iedereen die het horen wilde vertelde hij immers dat hij zijn familie in de Verenigde Staten had achtergelaten, waarbij een foto van zijn vier kinderen in t-shirts van de L.A.-Lakers aan de muur van zijn woonkamer als voornaamste bewijs moest dienen. Het heeft hem niet mogen baten, want zoals bekend is hij, zij het vele jaren te laat, ingerekend.
Niettemin roept deze kwestie prangende vragen op aangaande de maakbaarheid van de menselijke identiteit. Volstaat het werkelijk om een nieuwe naam aan te nemen, een bijbehorend levensverhaal te verzinnen en eventueel iemands voorkomen te wijzigen om van hem of haar een ander mens te maken? Over het algemeen gaan we ervan uit dat we een stabiele persoonlijkheid bezitten, een innerlijke kern, een welomschreven ik, die weliswaar samen met het lichaam van kind naar adolescent, volwassene en ten slotte bejaarde evolueert maar bovenal continuïteit aan deze ontwikkeling verleent. Blijft deze kern dan niet bestaan, zelfs al voltrekt zich aan ons de meest radicale metamorfose?
Beroemde voorbeelden uit de westerse literatuur lijken te suggereren van wel. Bij Ovidius staat te lezen dat, wanneer Acteon tijdens een jachtpartij per ongeluk op de badende godin Diane stuit en zij hem als straf voor het aanschouwen van haar naaktheid in een hert verandert, de ongelukkige doodsbang wordt voor de andere jagers omdat deze hem nu wel eens voor een mals stukje wild zouden kunnen aanzien. Niet ten onrechte, zo blijkt, want ondanks Acteons pogingen zijn vrienden te waarschuwen dat hij geen echt hert is maar hun betoverde kameraad, wordt hij zonder pardon neergeschoten...
Ook Gregor Samsa uit De gedaanteverwisseling van Franz Kafka blijft ogenschijnlijk innerlijk zichzelf, nadat hij op een ochtend als kever is ontwaakt en bijgevolg gedwongen wordt zijn individuele wil aan de instincten, gedrags- en voedingspatronen van dit afstotelijke lijf ondergeschikt te maken. Het feit dat zijn familieleden hun afkeer van hun monsterlijke huisgenoot overwinnen om hem dagelijks rottende etensresten te voeren, kan er op wijzen dat ook zij onder dat hoornen schild en in die kop met voelsprieten nog een restje Gregor vermoeden.
Dit zijn evenwel allebei gedwongen metamorfosen, waar de desbetreffende hoofdrolspelers zelf geen vat op hebben. Hoewel het bij Kafka niet geheel duidelijk wordt welke instantie de verdierlijking bewerkstelligt, lijkt Gregor Samsa's lot naar analogie met Ovidius' wrekende godin ook met een waas van schuld, boete en vergelding omgeven. Hoe dan ook is er in Kafka's novelle geenszins sprake van vrije keus. Maar hoe staat het met de zelfgekozen persoonsverwisselingen, zoals die van voornoemde Karadzic?
Een opmerkelijk geval hiervan verschaft ons Pascal Mercier in zijn Nachttrein naar Lissabon. Na een toevallige ontmoeting met een Portugese vrouw besluit de leraar klassieke talen Gregorius namelijk zijn vertrouwde leventje in Bern op te geven en naar Lissabon af te reizen. Hoewel hier geen sprake is van een gedaanteverwisseling in de letterlijke zin van het woord - Gregorius brengt geen bewuste veranderingen aan in zijn biografie of fysieke verschijning -, heeft het er desondanks alle schijn van dat hij in de laatste stad van Europa inderdaad herboren wordt. Symbolisch komt dit tot uitdrukking in de nieuwe bril die hij in Portugal heeft moeten aanschaffen, nadat zijn oude bij een valpartij gesneuveld is, en waardoor hij zijn omgeving onverwachts op geheel andere wijze waarneemt.
Echter, dit keerpunt in Gregorius' bestaan betekent evenmin een volledige breuk met zijn verleden. Veeleer biedt het hem de kans zich om te draaien, de afgelegde weg te overzien en de gemiste afslagen alsnog uit te proberen. Terwijl hij zijn mislukte huwelijk met een van zijn vroegere studentes overdenkt, tracht hij tezelfdertijd zijn reeds lang vervlogen passie voor het Perzisch die hem tientallen jaren geleden bijna een baantje als huisleraar in Isfahan heeft doen aanvaarden, terug aan te wakkeren. Kortom, Gregorius haalt evenzeer bakzeil als het erop aankomt zijn Bernse ik daadwerkelijk af te schudden.
Wellicht hoeft dit geen verwondering te wekken, want wat is die zogenaamde persoonlijkheid, die kern van ons op de keper beschouwd behalve een verzameling unieke ervaringen en herinneringen? Tot dit inzicht lijkt ook Ignacio Padilla de lezers van zijn Amphitryon te willen brengen. In deze ambitieuze labyrintische roman, waarom het me hier ook eigenlijk te doen was, worden niet alleen talloze identiteiten vervalst of moedwillig afgelegd, maar zijn ze bovendien tot ordinaire handelswaar gedegradeerd. De personages schrikken er immers niet voor terug om hun naam en lot te verruilen, te versjacheren en zelfs koudweg op het spel te zetten.
In de openingsbladzijden van het boek is het al gelijk zover: ten tijde van de Eerste Wereldoorlog treffen twee jonge mannen, Viktor Kretschmar en Thadeus Dreyer geheten, elkaar per toeval in een treincoupé wanneer ze op weg zijn naar hun toekomstige betrekkingen, de een als seinwachter op de lijn München-Salzburg, de ander als frontsoldaat bij de Oostenrijks-Hongaarse troepen in Sarajevo. Ze besluiten een schaakpartij te spelen met hun persoonsgegevens als inzet. De winnaar wacht een gezapig leventje in een seinhuisje, de verliezer een gewisse dood in de loopgraven. Dreyer wint en wordt als gevolg van hun afspraak de nieuwe spoorwegbeambte Kretschmar, maar dit brengt hem nog niet het verhoopte geluk. Zelf de saaie routine van zijn baan verfoeiend verneemt Kretschmar namelijk enkele jaren later dat Dreyer tegen alle verwachtingen in de oorlog overleefd heeft, sterker nog, dat hij als gedecoreerde oorlogsheld nu snel carrière maakt in het Duitse leger, zodat de verbolgen seinwachter al spoedig op wraak zint. Opnieuw zien we hier hoe het verleden uit de diepste krochten van het lichaam opwelt en door het oppervlak van de permanente maskerade heen breekt. Kan Kretschmar het niet verkroppen dat Dreyer thans de faam geniet die hemzelf te beurt had moeten vallen? Of wortelt zijn rancune in nog veel mistiger, onwelriekender moerassen van de geest, en wordt hij veeleer getergd door het besef dat, indien hij zijn vroegere identiteit had behouden, het hem veel slechter zou zijn vergaan, dat het hem sowieso aan het nodige lef zou hebben ontbroken?
Hoe het ook zij, wat Kretschmar niet weet is dat de man die momenteel de naam Thadeus Dreyer draagt en tot de rang van generaal in Hitler-Duitsland is opgeklommen, helemaal niet zijn voormalige schaaktegenstander is. Deze laatste blijkt inderdaad aan het front te zijn omgekomen, waarna een priester zich in de chaotische nasleep van de oorlog diens papieren heeft toegeëigend. Mocht er nog enige twijfel over bestaan, bij Padilla is inderdaad niemand meer wie hij aanvankelijk leek te zijn.
Toch kan het allemaal nog veel ingewikkelder, zoals het vervolg ons leert. Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakt Dreyer, nummer drie dus, betrokken bij het plan Amphitryon waarmee maarschalk Göring zogezegd - dit is zover ik weet geen historisch feit - een team van perfecte dubbelgangers voor de nazikopstukken beoogde op te leiden. (Amphitryon verwijst overigens andermaal naar de Griekse mythologie, want zo heette de onfortuinlijke echtgenoot wiens gedaante Zeus aannam om bij diens vrouw Alcmene Hercules te verwekken.) Uiteindelijk zal Padilla zelfs suggereren dat de man die in 1961 in Jeruzalem terechtstond op het proces-Eichmann, bijgewoond en verslaan door onder meer Harry Mulisch en Hannah Arendt, niet de gewetenloze organisator van de jodenvervolgingen was maar diens lookalike Franz Kretschmar, de zoon van Viktor...
Omdat Amphitryon in stilistisch opzicht vaak geforceerd en qua karaktertekening soms wat bordkartonnerig aandoet, moet Padilla het voornamelijk van zijn ingenieuze plot en narratieve gegoochel hebben; ook de vier vertellers van dienst profileren zich immers als meesterbedriegers en zijn voor geen cent te vertrouwen. Dankzij deze laatste, van scherpzinnigheid getuigende eigenschappen beklijft deze roman niet alleen, ze maken Amphitryon tot een duizelingwekkend spiegelpaleis. Padilla toont ons het fantasma van de ware of stabiele identiteit: de naam als een snijpunt van sociale relaties dat niet zozeer het individu toebehoort als wel hem of haar een plaats binnen een bepaalde geografie en geschiedenis toewijst; het lichaam dat aan verandering onderhevig is en geenszins authenticiteit waarborgt; het levensverhaal dat al dan niet bewust of gewild anders wordt verteld.
De arrestatie van Karadzic vertoont overigens ook wel wat gelijkenis met de zaak-Eichmann. Een jaar voor zijn proces werd Eichmann zoals bekend in Buenos Aires, waar hij in incognito leefde, door de Israëlische geheime dienst opgespoord en ontvoerd. Het vervelende is echter wel dat je, na het lezen van Amphitryon, je wel begint af te vragen wie nu eigenlijk voor het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag zal verschijnen...
Labels: identiteit, Mexicaanse literatuur
Malcolm Lowry, Onder de vulkaan (Amsterdam: De Bezige Bij, 1998).
Maxine Hong Kingston, De krijgsheldin (Amsterdam: Elsevier Manteau, 1980).
Erwin Mortier, Godenslaap (Amsterdam: De Bezige Bij, 1998).
Juan Goytisolo, De identiteit (Amsterdam: Meulenhoff: 1985).
André Gide, De valsemunters (Amsterdam: De Bezige Bij, 1969).
Mircea Cartarescu, Travestie (Amsterdam: Meulenhoff, 1996).
Theodor Fontane, Stechlin: roman van het oude en nieuwe Pruisen (Amsterdam: Bert Bakker, 1997).
Carlos Fuentes, De dood van Artemio Cruz (Amsterdam: Meulenhoff, 1987).
Cyriel Buysse, Reizen van toen: met de automobiel door Frankrijk (Antwerpen-Amsterdam: Manteau, 1992).
Hector Bianciotti, Ce que la nuit raconte au jour (Paris: Bernard Grasset, 1992).
John Banville, Schijngestalte (Amsterdam: Atlas, 2005).
Adolfo Bioy Casares, Morels uitvinding (Meulenhoff, 1972).
Morels beelden schijnen een perfecte kopie van de werkelijkheid te zijn, maar dat klopt ook toch weer niet helemaal. Morel "weet ook zeker dat zijn 'imitatiemensen' geen bewustzijn hebben - net zoals de personages in een film, voegt hij eraan toe." Het roept ogenblikkelijk associaties wakker met Hard-boiled wonderland en het einde van de wereld (1985) van Haruki Murakami, waarin het hoofdpersonage in een hoog ommuurde, strikt van de buitenwereld afgesneden stad verzeild raakt, waar de inwoners geen ‘geest’ meer bezitten. Die wordt hen ontnomen wanneer ze bij binnenkomst van de stad hun schaduw, waarmee hun vroegere identiteit en herinneringen verbonden zijn, moeten afstaan aan de poortwachter. Zowel het voorkomen van deze bullebak als diens toezicht op het betalen van het 'tolgeld', de schaduwen dus, stellen hem onmiskenbaar op één lijn met de veerman Charon die in de klassieke onderwereld de zielen van de doden over de Styx roeide. Trouwens, ook in Dantes
Dirk van Weelden, Literair overleven! (Augustus, 2008).
Blijkens bijvoorbeeld het succes van Het Penhuis bestaat er nog wel degelijk behoefte aan goede boeken. Dit hoeft op zich nauwelijks te verbazen aangezien literatuur aan het wezenlijke van de mens raakt en derhalve waarschijnlijk, de orale tradities meegerekend, net zo oud is als dit talige dier zelf. Zoals in Literair overleven! terecht wordt gesteld: "Het gaat over kennis van de wereld, het leven en de menselijke geest die is opgeslagen in producten van de menselijke verbeelding."
Daarmee heb ik me al bij al helemaal niet zo verwijderd van Van Weeldens invulling van een literaire levenshouding:
Piet Devos (Kortrijk, België, 1983) volgde de vertaalopleiding Frans – Spaans aan het Antwerpse HIVT en studeerde Literatuurwetenschap in Leiden. Momenteel werkt hij, als bursaal aan de Rijksuniversiteit Groningen, aan een proefschrift over vroegtwintigste-eeuwse avant-gardepoëzie. Naast essays en artikelen over literatuur schrijft hij ook zelf poëzie en verhalen.
